Aanzet tot polemiek

Van alle tijdschriften is De Revisor het meest uit op literaire polemiek. Daar spreken schrijvers zich uit over wat ze van literatuur verwachten, wat ze er níet in willen zien, hoe ze over het huidige literaire klimaat denken etc. Het ging dan steeds over het proza.

Deze keer gaat het over poëzie, wat op zichzelf al verheugend is, want daar wordt bijzonder weinig in algemene zin over geschreven. Dat is ook meteen een van de bezwaren van Elly de Waard, wier stuk `De tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij' al op de omslag aangekondigd staat in grote letters: `De poëtenstrijd'.

De Waard snijdt verschillende kwesties aan, maar voornamelijk spuit zij haar gram over de poëziekritiek. Die is blijven steken in modernistische opvattingen waar de meeste dichters al lang aan voorbij zijn. En ze is lui: het boek van R.L.K. Fokkema over de naoorlogse poëzie Aan de mond van al die rivieren dat ruim een half jaar geleden verscheen, is slechts door twee critici besproken. De Waard spreekt er schande van: is er eens een onbevooroordeeld boek dat een poging doet het ingewikkelde een veelvormige landschap van de naoorlogse Nederlandse poëzie in kaart te brengen, nemen poëziecritici niet eens de moeite erop te reageren. Ze heeft gelijk.De twee critici die die moeite wel genomen hebben, komen er bij haar echter niet beter af.

Zowel Rob Schouten als Kees Fens krijgt de wind van voren, vaak op een niet erg heuse manier. Zo verwijt ze Fens dat hij niet op grond van argumenten tot zijn niet al te positieve kritiek is gekomen, maar uitsluitend omdat hij zijn eigen machtspositie wil beschermen. Dat gaat wel ver. Ze mag vinden dat Fens bevooroordeeld is, er een vastgeroeste smaak op na houdt, blind is voor de kwaliteiten van Fokkema's boek, maar dit mag niet.

De Waards voornaamste stelling is dat de poëziekritiek nog altijd onderscheid maakt tussen `autonome' en `anekdotische' poëzie en zich daarbij eenzijdig richt op de autonome. Wat autonome poëzie is, heeft de dichter Martinus Nijhoff ooit duidelijk gemaakt door het gedicht te vergelijken met een Perzisch tapijt: je hoeft niets van de maker of van de omstandigheden waaronder het gemaakt werd te weten om het te kunnen appreciëren. Zo ook staat een autonoom gedicht op zichzelf, terwijl een anekdotisch gedicht meer vast zit aan de werkelijkheid.

De Vijftigers hebben het modernisme (en dus de autonome poëzie) hier te lande geïntroduceerd, aldus De Waard en sindsdien is de autonomistische opvatting de alleenzaligmakende. Dat wil zeggen in de kritiek, de praktijk gaat meer haar eigen gang.

Het is jammer dat De Waard zo per se polemisch wil zijn en haar `tegenstanders', de critici, om die reden probeert op één lijn te krijgen: autonomistische slechtzienden die de poëzie geen dienst bewijzen. Ze is genoeg op de hoogte en ook eerlijk genoeg om zelf op allerlei punten daar iets van terug te nemen, maar het maakt haar stuk een beetje rommelig, en dat is jammer want ze heeft allerlei belangwekkends te beweren.

Om te beginnen geeft ze zelf toe dat elk goed gedicht autonoom is, waardoor de tegenstelling `anekdotisch' en `autonomistisch' wel iets aan kracht verliest. Dat moet ook wel want het ligt genuanceerder, zoals bijna alles. De poëzie is ook bepaald niet sinds Vijftig alleen maar modernistisch geweest - in de jaren zestig en begin zeventig was er juist een sterk anekdotische golf. Zo bestaat ook de kritiek nu niet uitsluitend uit autonomistische critici - De Waard maakt zelf al een uitzondering voor Rob Schouten, al heeft ze tegen hem weer allerlei andere bezwaren. Ze negeert Peter de Boer die in Trouw een allesbehalve benauwde poëzieopvatting laat zien, ze negeert Hans Groenewegen die in Hervormd Nederland schrijft. Het door hem samengestelde boek over Lucebert noemt De Waard wel, in positieve zin, maar dat verandert haar indruk van de totale reactie op de poëzie weer niet.

Haar moet zeker lof toegezwaaid worden voor deze poging om een debat over de poëzie te beginnen, al is er op de poging zelf wel een en ander af te dingen.En het maakt De Revisor interessant en verrassend - niet alleen haar stuk trouwens, ook het stuk van Jan Fontijn over Valéry en de roman en dat van Cioran tégen de roman zijn bijzonder lezenswaard. En er staat goede, niet zo vreselijk autonomistische poëzie in dit nummer...

De Revisor 1999, nr. 5. Uitg. Querido. Prijs f22,95