Ode aan het mannenbeen

Soms is het verleidelijk om een gedicht te misbruiken. Om te doen alsof het je toestemming geeft voor iets – wat onzin is, gedichten geven geen toestemming, ze bemoeien zich altijd met hun eigen zaken. Maar toch, soms, vaak misschien wel, in volle overgave bezig met bijzaken, daar plots van bewust, lieg ik tegen mezelf een paar regels van Szymborska, die een gedicht besluit met de regels: ,,Wanneer ik zoiets zie, verlaat me altijd de zekerheid/ dat wat belangrijk is/ belangrijker is dan wat onbelangrijk is.''

Dat gedicht van Szymborska gaat over iemand die op een zonnige morgen onder een boom zit aan de oever van een rivier en die wel begrijpt dat dat nu niet bepaald een wereldschokkende gebeurtenis is. De geschiedenis zal het niet halen. Maar toch is die morgen er en ,,Zelfs een vluchtig ogenblik heeft een rijk verleden,/ een vrijdag voor de zaterdag,/ een mei die aan juni voorafging.'' Ze vergelijkt dit ogenblik met grootse gebeurtenissen, met veldslagen en tirannenmoorden waarbij vergeleken, dat spreekt vanzelf, dat zegt ze niet eens, zo'n ochtend onder zo'n boom, enfin, niets is. Toch verdedigt ze het bestaansrecht van deze ochtend: ,,En hoewel in de buurt niets groots gebeurt,/ is de wereld daarom nog niet armer aan details/ (-)/ dan toen volksverhuizingen haar in hun greep hielden.'' En zo komt ze uiteindelijk tot haar conclusie over die belangrijke en onbelangrijke dingen.

Dit gedicht gaat natuurlijk niet over beuzelarijen. Het gaat over het belang van elk moment, elk leven, het gewone alledaagse en niet alleen het krantwaardige leven.

Het gaat niet over recepten lezen bijvoorbeeld, of over heel lang in een winkel staan omdat je jezelf niet kunt losrukken van al die verschillende soorten bonen en linzen die ze er hebben, en ook niet over dat je dan na lange aarzeling toch die gedopte gedroogde tuinbonen koopt. Dan naar huis, in juichstemming, daar heerlijke Marokkaanse soep van maken. Met veel knoflook, komijn, chilipoeder, kurkuma, koriander. Geweldige soep. En dat je daar dolgraag over wilt praten, en dat je in ademloze aandacht in Vrij Nederland Diny Schouten leest die haar rubriek deze week aan peulvruchten wijdt. Dat is allemaal niet het onderwerp van dat gedicht. En als je dan ineens denkt: `heb jij niets beters aan je hoofd', gaat het dus niet aan om met Szymborska op de proppen te komen.

Of is dat helemaal niet zo raar. Gaat dat gedicht daar wel over. Doet de beperktheid van tuinbonensoep en verse of gedroogde kurkuma er misschien niet toe, soep en specerijen horen ook bij het leven, net zo goed als een rivier, een boom, een mier. Is met animo eten klaarmaken niet per se minder waard dan een mooie natuurervaring. Of dan een gedicht. Jammer wel dat gedichten zo weinig over eten, laat staan over het klaarmaken ervan gaan. Hoewel Six van Chandelier er nog heerlijk op los eet (`O oestertjen! Met groene baardjes/ o! blanke bolle, en volle beet') is de tegenwoordige dichter niet meer zo'n lekkerbek, althans niet in poëticis. Gerrit Kouwenaar eet wel veel in zijn gedichten, al kookt hij er niet zo vaak in. En verder schiet me alleen een passage uit een lang gedicht van Huub Beurskens te binnen, waarin hij schrijft `Ik hou ervan/ rijpe avocado's/ aan het aanrecht/ te ontvellen/ (-) ik hou ervan/ het groene vruchtvlees/ vermengd/ met verse koriander/ olie en knoflooktenen/ te verteren'. Meteen nagemaakt. Ietsje flauw, een drupje citroen kon er wel bij. En zout en peper natuurlijk, maar dat hoeven receptenmakers niet per se op te schrijven en dichters al helemaal niet. Wat het pellen van avocado's betreft heeft Beurskens zonder meer gelijk, dat behoort tot de prettiger dingen om te doen in de keuken, vergelijkbaar met het verwijderen van het vel van de kalfstong, of het fileren van een gerookte makreel. Verrukkelijke klusjes.

Dat soort onbelangrijkheden bedoel ik. En dat gaat dan tenminste nog over eten. Ik denk ook vaak aan mode. Ja, nu moet alles er maar meteen uit. De laatste tijd houdt vooral de mannenmode en soms zelfs De Totale Man me bezig. Op afbeeldingen bij besprekingen van de Karel V tentoonstelling in Gent zag je Karel in vol ornaat, hetzelfde soort vol ornaat waarin ook Hendrik VIII van Engeland nogal eens afgebeeld is: brede schouders, pofmouwen met doorkijkjes naar ondermouwen, mantel met bontrandjes, korte broek met speciaal versiersel op de plek waar wij het majesteitelijk deel moeten denken, strakke kousen, hakjes. Prachtig. Er is enorm veel te beleven aan zulke kleren, aan de stof, aan de knoopjes, de afwerkingen, de kragen en bandjes, aan de snit en de val, alles aan zulke kleren is een feest. En niet alleen de kleren zijn zo mooi, ook de man erin komt weergaloos tot zijn recht. Mannen hadden toen nog benen die ze net als vrouwen met een goede schoen (gesp erop) en een mooie kous optimaal tot hun recht lieten komen. Dat is lang zo gebleven, maar ergens in de negentiende eeuw is het mannenbeen opgeheven. Nooit meer terug gezien. Ja, soms, in de zomer onder een meestal idioot onflatteuze korte broek. Dat bedoel ik niet. Ik bedoel het mannenbeen als modieuze blikvanger.

Zo'n keizerlijke aankleding zou Clinton bijvoorbeeld geweldig staan. Bij Kok denk je minder aan zoiets, maar wie weet. Veel mannen maken ook al een verrassend veel aantrekkelijker indruk als ze een rokkostuum aandoen.

Laatst schreef iemand in de Volkskrant een hele pagina vol over dat vrouwen mannenlijven niet interessant vinden. Oh. De opening van het Cultureel Supplement afgelopen vrijdag sprak andere taal: Tarzan, en bijna de aap in het algemeen, spreekt menige vrouw reusachtig aan. Want Tarzan is `oer', Tarzan is lijf, Tarzan is seks en kracht. En hij wil dat wel weten ook, voor Tarzan geen donkergrijze wollen broek en brogues.

Vrouwen zijn geneigd meer naar andere vrouwen te kijken dan naar mannen. Geen wonder. Er is aan de meeste mannen nauwelijks iets te zien. Je mag al blij zijn als ze een beetje aardig overhemd aan hebben. Ik weet zeker dat vrouwen wél naar Hendrik VIII keken, waarschijnlijk ook vaak met de blik waarmee ze anders naar vrouwen zouden kijken: hoe zit dat vest, hoe is die jas gesneden, hoe komen de benen eronder uit, wat vinden we van de hakhoogte, laat het figuur te wensen over, zit dat haar zo leuk of juist niet, zouden we zin hebben om héél lang naar deze verschijning te kijken. Zulke dingen. Mannen zouden erg opknappen van andere kleren. Als vrouwen met kousen en hakken kunnen leven, waarom mannen dan niet? En een klein hakje loopt helemaal niet naar. Hoge laarzen staan mannen ook goed. Het mannenbeen moet terug!

Op zulke momenten helpt Szymborska niet meer. Hooguit de overweging dat vroegere veldheren en tirannen toch ook veel tijd aan hun uiterlijk moeten hebben besteed. Nee, dit is echt niet belangrijk. En toch. Het mannenbeen. Denk er eens over.