Kerkhof

Het Ghencea-burgerkerkhof op een zonnige wintermiddag. Een poort met doodskisten, daarachter een bedrijvige wereld van priesters, doodgravers, honden en bedelaars. Ik zie hoe Grigore Pragomir (90) wordt begraven, hoe zijn open kist uit een blauw bestelbusje wordt geschoven, hoe hij op een piepend karretje wordt voortgetrokken door twee jongens met sigaretten in de mond, hoe het kruis met zijn naam langzaam tussen de graven verdwijnt.

Bij het graf van Nicolae Ceausescu – een hoop aarde, een kleine steen met zijn portret, vijf verlepte boeketten – staan drie mensen. ,,Zie je dat hij dwars ligt?'' zegt een man. ,,Zijn voeten liggen niet naar het Oosten, hij is als een heks begraven.'' ,,Welnee'', kakelt een bedelvrouwtje. ,,Hij is helemaal niet dood. Ze hebben hem bij zijn executie enkel verdoofd, hij is naar zijn vriend Gaddafi gevlogen. Daar woont hij nu in een mooi paleis.'' ,,Onzin'', mompelt een derde bedelaar. ,,Loop naar de duivel!'' ,,Draculi!'' schreeuwt de vrouw. ,,En Nicu, zijn zoon, is ook niet dood. Die woont nu bij zijn vader. Maar Zij is wel dood!''

Ze brengt ons naar het graf van de voormalige First Lady, ook aarde, met een klein, smerig houten kruis. Er wankelen twee honden langs die bij het copuleren aan elkaar bleven hangen. Dan zie ik Floarea – `Bloemetje' – Ene (52) op een kleine rode vrachtauto door de poort komen. Haar dochters zitten op de laadbak naast de kist, strelen haar gezicht, eentje huilt onbedaarlijk: ,,Mamma, mamma!'' Maar ook Bloemetje wordt op het karretje gelegd, ze moet mee met de jongens met de sigaretten, daar is niets aan te doen.