Het rood, zwart en wit kleurt het `vrije' Atjeh

De Beweging Vrij Atjeh (GAM) vierde zaterdag haar 23ste verjaardag. Een dag lang was de provincie rood, zwart en wit.

De vierde december was weken tevoren aangekondigd als Atjehs Dag des Oordeels. Het militaire commando in Banda Atjeh ontving dreigementen dat eenheden van de Beweging Vrij Atjeh (GAM) op die dag legerposten zouden aanvallen. In de moskeeën van Atjeh hielden GAM-kaders 's avonds opruiende preken, die de Javaanse transmigranten de stuipen op het lijf en de provincie uit joegen. Zegslieden van de GAM kondigden aan dat de leider in ballingschap, wali neugara (staatshoofd) Hasan Muhammad di Tiro op 4 december, 23 jaar nadat hij de onafhankelijke, islamitische staat Atjeh-Sumatra had uitgeroepen, zou terugkeren naar zijn geboortegrond. Overal zou de vlag van de GAM worden gehesen en de Indonesische vlag gestreken.

Leger en politie lieten weten dat het was toegestaan om op feestelijke bijeenkomsten GAM-banieren te laten wapperen, maar dat neerhalen van het Indonesische rood-wit onduldbaar was. De politie werd versterkt met 4.000 manschappen van de Mobiele Brigade. De commandant van het GAM-leger, Abdullah Syafei, ried op 1 december via de plaatselijke pers ,,het publiek in het belang van zijn eigen veiligheid'' ten sterkste af om op zaterdag boven eigen huizen de GAM-vlag te hijsen. Vrijdag trokken Atjehers massaal naar de moskee om met gebeden dreigend onheil af te wenden.

Het is vrijdagmiddag. De locatie waar commandant Abdullah en zijn generale staf de grote dag zullen vieren, is geheim – er is althans geen overheidsdienaar die op de hoogte is – maar zeker niet onvindbaar. Wie de ceremonie wil bijwonen en over de juiste introductie beschikt, wordt door een GAM-gids over Atjehs drukst bereden weg, de Trans Sumatra-route, naar het regentschap Noord-Atjeh gereden. De juiste afslag is gemarkeerd door een meer dan manshoog bord, beschilderd met de GAM-vlag.

Abdullah's gasten brengen de nacht door in een kleine kampong, een met kokospalmen omzoomd eiland in een lichtgroene zee van sawahs. De gastheer, een boer, vertelt dat die middag een helikopter tweemaal laag is overgevlogen. Hij was zwart, en dat betekent Mobiele Brigade.

Zaterdagochtend vroeg begint de laatste, korte rit over weggetjes tussen rijstvelden, die bij afslagen worden bewaakt door geüniformeerde GAM-soldaten met automatische geweren. Het konvooi auto's met genodigden gaat stapvoets; de weg is smal en uit de omringende kampongs stromen duizenden Atjehers te voet naar het feestterrein. De genodigden kunnen op borden lezen dat de kampong die ze binnenrijden Pandrah Kandeh heet en dat ze zich bevinden in het district Jeunib, in het regentschap Noord-Atjeh, hoogstens een kilometer of vijf van de Straat van Malakka. Het zelfvertrouwen van de GAM is groot.

Het laatste palmomzoomde `eiland' is geen dorp, maar een rechthoekige terp, die misschien al jaren dienst doet als exercitieterrein van het GAM-leger. Op het veld staan, aangetreden in carré, zo'n 700 man geüniformeerde GAM-troepen, onder wie 130 Srikandi, vrouwelijke soldaten met in plaats van een baret een witte hoofddoek die alleen het gezicht vrijlaat. Voor de overdekte rijen stoeltjes voor genodigden staat een tafeltje, met daarachter GAM-commandant Teungku Abdullah Syafei en zijn staf. Alleen de militairen die de toegangswegen bewaken, de toegestroomde dorpsbewoners in het gareel houden en het oppercommando flankeren, zijn gewapend.

De ceremonie duurt van acht tot elf en bestaat uit politieke redevoeringen, gebed, vlekkeloos uitgevoerde exercities van de aangetreden troepen en – het hoogtepunt – het hijsen van de GAM-banier. Het ceremonieel is goed geregisseerd, met gevoel voor sfeer en drama. Drie Srikandi marcheren in stramme paradepas naar het tafeltje van de commandant, nemen de vlag in ontvangst en laten die heel langzaam omhoog gaan langs de mast in het midden van de paradeplaats, terwijl uit de luidsprekers in zangerig Arabisch de azan (oproep tot het gebed) klinkt. Als de vlag eenmaal in top hangt en een licht tropenbriesje de rood-zwarte vlag met een witte maan en ster in zijn volle glorie toont, scanderen de manschappen `Merdeka' (onafhankelijkheid). Een schriftgeleerde gaat voor in gebed, de troepen, genodigden en toeschouwers heffen de handen. Een Srikandi raakt door de smeekbede om goddelijke hulp voor het volk van Atjeh zo aangedaan dat er uit haar gesloten ogen tranen rollen.

De redevoeringen, alle in het Atjehnees, bevatten geen nieuws. Atjeh-Sumatra is, in strijd met het volkenrecht, door Nederland overgedaan aan Java-Indonesië. Den Haag moet zijn oorlogsverklaring van 1873 intrekken en Atjeh zijn soevereniteit teruggeven, dan zullen de `imperialistisch-kolonialistische' troepen vanzelf vertrekken. Hasan di Tiro is er zelf niet, maar, aldus commandant Abdullah, ,,zijn komst naar Atjeh is nabij''. Syafei leest een boodschap voor van Di Tiro, waarin diens historische obsessies nog eens worden uiteengezet. De commandant verklaart op een korte persconferentie dat ,,GAM liever sterft dan haar vrijheidsstrijd staakt'', dat er van een dialoog met ,,de leugenaars in Jakarta'' geen sprake kan zijn en dat Di Tiro en hij alleen willen praten met Nederland en de Verenigde Naties. Hij onderstreept dat GAM ,,de wereld vandaag voor het eerst haar kracht toont''.

Tijdens de autorit naar het noorden ontrolt zich een heel ander Atjeh dan de avond tevoren. Langs de Trans-Sumatra route staat om de 50 meter een bamboestok met een GAM-vlag. Toegangspoorten tot kampongs en moskeeën, balustrades van bruggen en telefoonpalen zijn beschilderd in de GAM-kleuren en tot zover de blik reikt zien de sawah's rood van de vlaggen. In de nacht moeten duizenden kampongbewoners tienduizenden vlaggen hebben uitgezet. In steden en dorpen is alles dicht en er rijden geen bussen. Dorpsbewoners zitten in groepjes langs de weg. Zodra er een auto passeert, gaan de vuisten met gestrekte duim omhoog, de woordeloze groet die staat voor `merdeka'.

Na het middaguur wordt de stemming grimmiger. Patrouilles van de Mobiele Brigade, ondersteund door pantserwagens, trekken dorpen en velden in en verwijderen overal vlaggen, een ondankbare klus, die de manschappen prikkelbaar en onberekenbaar maakt. In de loop van de middag komt het op enkele plaatsen in Atjeh tot schietpartijen. In Sigli, de hoofdstad van het regentschap Pidie, trekt een kolonne van honderden auto's en motoren, afgeladen met vendelzwaaiende Atjehers voorbij het militaire districtshoofdkwartier. Er vallen schoten en twee jonge betogers zakken gewond ineen. Een uur later liggen op het verlaten asfalt nog twee sportschoenen in een plasje bloed.

Een Dag des Oordeels is het niet geworden, wel een dag van bezinning, voor de regering in Jakarta en voor de Atjehers.