Ruilen?

Er was een tijd waarin in Nederland de leugen regeerde. Iedereen, van Majesteit tot minkukel, weet welke tijd dat was. Niet de periode die wij nu meemaken, ook al is er dan sprake van vervlakking en commercialisering in de media. De leugen regeerde tussen 1940 en 1945. Het is goed om daar af en toe aan te worden herinnerd. Daarom is voor mij de gebeurtenis van de week niet de bijeenkomst van het Genootschap van Hoofdredacteuren waar koningin Beatrix omstreden uitspraken over de journalistiek heeft gedaan, maar de toekenning van de `communicatieprijs van de eeuw' aan de ondergrondse pers.

Terugkijkend op de afgelopen eeuw merkte de jury onder voorzitterschap van Jan van Cuilenburg, hoogleraar communicatiewetenschappen, op dat de Duitse bezetting de journalistiek misschien wel meer dan enige andere beroepsgroep voor morele vragen stelde. ,,Men zou kunnen zeggen dat de Tweede Wereldoorlog voor journalist en uitgever een indringende morele lakmoesproef met zich meebracht. Goede en maatschappelijk verantwoorde journalistiek staat of valt immers met vrije nieuwsgaring, met vrijheid van meningsuiting en van drukpers en met vrije verspreiding van nieuws en commentaar, vrijheden die de bezetter met bruut geweld onze samenleving trachtte te ontnemen.''

Volgens L. de Jong hebben zich vijftien- tot twintigduizend mensen ingezet voor de ondergrondse pers. Zij hebben niet alleen geweigerd voor de dictatuur te buigen, maar daarmee ook naoorlogse generaties van verslaggevers en redacteuren gevormd en geïnspireerd: ,,Vijfenvijftig jaar na de oorlog dwingt de illegale pers, van journalist, luisterpost, drukker tot bezorger en bezorgster, nog altijd grote bewondering af, niet alleen bij tijdgenoten van toen, maar ook bij alle generaties van na de oorlog. Niet licht zal de rol van verzetskranten als Het Parool, Trouw, Vrij Nederland en De Waarheid kunnen worden vergeten'', aldus de jury.

Misschien is om deze reden de prijs aan de huidige hoofdredacteuren van de drie nog bestaande titels uitgereikt in plaats van, wat meer voor de hand zou hebben gelegen, aan oud-verzetsmensen die verbonden waren aan de illegale bladen – de genoemde vier grote of de talloze kleinere ondergrondse kranten. De Waarheid bestaat niet meer, maar er leven nog wel voormalige illegale medewerkers van die krant. Ik denk overigens niet dat de hoofdredacteur van, bijvoorbeeld, Vrij Nederland meer affiniteit heeft met de ondergrondse pers dan die van, bijvoorbeeld, de Volkskrant. Als het goed is, zijn alle journalisten de geestelijke erfgenamen van de illegale pers.

Tot die erfenis hoort het besef dat, om met de jury te spreken, ,,in een volwassen democratie goede communicatie vanwege de overheid gebaat is met nog betere communicatie over en bij gelegenheid soms ook tegen de overheid''. Deze moeizame volzin verraadt dat er met de, op zichzelf prachtige, eeuwprijs toch iets raars aan de hand is. De onderscheiding, jaarlijks uitgeloofd door de stichting Machiavelli, heet namelijk `de Nederlandse prijs voor overheidscommunicatie'. Tot dusver werd hij toegekend aan allerlei overheidsinstellingen, hoofdcommissarissen van politie, De Nederlandsche Bank en soortgelijke Great Communicators van de staat.

Maar van 1940-1945 waren de bezetters de overheid! Tenzij men de regering in ballingschap te Londen als zodanig aanmerkt. Dan had de prijs misschien naar radio Oranje moeten gaan of postuum naar koningin Wilhelmina voor haar radiotoespraken. Nu lijkt de illegale pers achteraf te worden bestempeld als middel van overheidscommunicatie – de meest bizarre tegenstrijdigheid die iemand kan verzinnen. De jury bedacht voor deze gotspe een vindingrijke verklaring. Zij heeft `overheidscommunicatie' ook als `communicatie over en mogelijk zelfs tegen de overheid' opgevat. Nou, vooruit maar. Het resultaat telt. Anders had wellicht de Rijksvoorlichtingsdienst de prijs in de wacht gesleept en dat kon de jury zich, terugblikkend op de eeuw, natuurlijk niet permitteren.

Zo kom ik onvermijdelijk toch op de bijeenkomst van het Genootschap van Hoofdredacteuren waar voorzitter P. Broertjes koningin Beatrix opriep tot ,,wat meer openheid van uw kant''. Een onbeleefde manier van doen jegens iemand die geacht wordt niets terug te zeggen. In een commentaar legde de Volkskrant uit wat haar hoofdredacteur bedoelde: ,,De koningin zou meer ruimte moeten krijgen om haar eigen mening ten beste te geven, zodat het volk weet waar zij voor staat.''

De koningin zou tijdens diezelfde bijeenkomst privé hebben gezegd dat in de pers de leugen regeert, maar nu wordt verlangd dat de majesteit voortaan haar eigen opvattingen in de media gaat ventileren, moet je eerder tot de conclusie komen dat de domheid regeert. Meer openheid van de koningin betekent namelijk dat zij persoonlijke verantwoordelijkheid zou moeten nemen voor de berichtgeving over de monarchie.

Daar moet je niet aan denken. Straks moeten we nog allemaal `voorafgaand verlof' gaan vragen aan de RVD of aan het Genootschap van Hoofdredacteuren voor de publicatie van koninklijke meningen. Broertjes bedacht hier al ter plekke een `code' voor. Vervolgens pleitte de adjunct-hoofdredacteur van het NOS-Journaal, Hans Laroes, in deze krant voor `een goed gesprek' tussen premier Kok en de media over de meningen van de koningin, ,,desnoods achter gesloten deuren''. Meer openheid, maar wel achter gesloten deuren. Deze krankjoreme suggestie doet denken aan de bijeenkomst, achter gesloten deuren, in 1956 van de toenmalige hoofdredacteuren met minister mr. J.W. Beijen over de zogeheten Greet Hofmans-affaire.

Het verzoek daarover niet te publiceren werd braafjes ingewilligd (behalve door de voormalige ondergrondse krant De Waarheid die toen duidelijk nog bestaansrecht had).

Het is een verworvenheid van de constitutionele monarchie dat de opvattingen van het staatshoofd irrelevant zijn. Wie die regel afschaft, schaft het bestaande staatsbestel af. Irrelevant betekent iets anders dan niet de moeite waard. De opvattingen van Beatrix zijn vast interessant en behartigenswaardig, ook haar kritiek op slordige journalistiek.

Moet zij dan niet, net als iedereen, vrijelijk haar mening openbaar kunnen maken? Dat lijkt me geweldig, maar dan zal ze toch eerst een andere betrekking moeten zoeken. Ik wil haar van harte uitnodigen voortaan wekelijks deze rubriek te schrijven. Maar dan wel in ruil voor een republiek.