RENFREW

In W&O van 13 november stond een interview met de Engelse archeoloog Renfrew. Daarin sprak hij onder andere over zijn theorie dat de Indo-Europeanen zich gelijk met de landbouw over Europa verspreid zouden hebben, tussen 6.500 en 3.500 v.Chr. Er staat dat ``een aantal taalkundigen'' zich hiertegen verzet. Voorzover mij bekend is er geen enkele Indogermanist die deze theorie aanvaart.

Een bezwaar is de traagheid. Dan zouden er veel vroege ontleningen tussen de dialecten zijn omdat men lang met elkaar in contact blijft. En dat is niet het geval. De IE talen zijn zeer duidelijk gescheiden. Renfrew vindt het niet zo traag, maar van Griekenland naar Ierland is 3.000 km, dus dat is één kilometer per jaar. Renfrew wil het uiteengaan van deze talen vooral veel `vroeger' dateren dan algemeen aangenomen wordt. En dat kan niet. Het gereconstrueerde Proto-Indo-Europees bevat veel termen voor technieken die vóór 4.500 niet te vinden zijn, producten van de zgn. `Secondary Products Revolution' zoals `juk, ploeg, wol'. Renfrew antwoordt hierop door het belang van die termen te bagatelliseren.

Griekenland zou het eerst zijn bereikt, uit Klein-Azië (Turkije). Dit is om verschillende redenen onwaarschijnlijk. Het valt niet te rijmen met het feit dat Griekenland een zeer groot aantal woorden ontleend heeft aan een substraattaal. Renfrew wil dat deze woorden uit Kreta komen, en dat het vasteland geen substraattaal kende. Maar aan de plaatsnamen Athene, Korinthe, Sparta enz. kunnen we zien dat deze niet-Indo-Europese taal over Kreta, het vasteland van Griekenland en ook over westelijk Klein-Azië verspreid was. Dat lost Renfrew op door de suggestie dat de plaatsnamen op het vasteland misschien wél Indo-Europees waren. Dat is echter gewoon onjuist. En hoe is dit substraat in West-Klein-Azië te verklaren als dáár nu juist de Indo-Europeanen vandaan kwamen? Ten einde raad suggereert Renfrew dat ook de taal van Kreta (en dus het substraat) misschien Indo-Europees was. Zo rollen we van de ene onwaarschijnlijkheid in de andere.

De gedachte dat het Indo-Europees uit Klein-Azië kwam is ook algemeen verworpen. Wat we uit het gereconstrueerde lexicon kunnen opmaken wijst niet in de richting van een mediterraan gebied. Zo heeft het Grieks woorden voor mediterrane bomen ontléénd: dus zij kenden die bomen niet, en kwamen waarschijnlijk uit het noorden. Herkomst uit de Oekraïne – in het vierde millennium – is wat meestal wordt aangenomen.

De voornaamste drijfveer voor Renfrew was dat archeologen nu afkerig zijn van grotere volksverhuizingen, zoals de titel van het artikel aangeeft: ``Binnenvallende volkeren, wat een onzin.'' Maar die zijn er nu eenmaal altijd geweest, snel of langzaam, vreedzaam of gewelddadig. Ik noem de komst van de Turken naar Turkije, culminerend in de val van Constantinopel. Het is dus een `a priorisme' dat hier speelt.

Renfrew stelt verder onder andere dat taalkundigen geen rekening houden met externe factoren, zoals economische en sociale veranderingen. Dit is onjuist. Deze factoren worden altijd in de studie betrokken – wat overigens voor zeer vroege tijden moeilijk is bij gebrek aan gegevens. Dat ``taalverandering onder jager-verzamelaars heel anders was dan die onder landbouwers'' is gewoon onzin.