Piep

Tuinplanten zijn geen geschikte sinterklaas- of kerstcadeaus, het zou zijn alsof je iemand onrijp fruit gaf, of iets waarvoor hij maandenlang moest zorgen voor hij het kon gebruiken. Bollen zijn mogelijk, maar boeken zijn nog beter. Nieuwe tuinboeken komen in het voorjaar, de oude liggen nu in de ramsj.

Handig voor moestuinders is Taylor's Guide to Heirloom Vegetables door Benjamin Watson (Houghton Mifflin, ƒ14,90 bij De Slegte). Bevredigend om zo'n boek meteen te kunnen testen. Ik zocht het groentesucces van dit jaar op: een Italiaanse boon, lingua di Fuoco, die vers of gedroogd gebruikt kan worden. Deze soort had ik nergens anders beschreven gezien (veel recepten in Italiaanse kookboeken), maar hier was hij, een Bush Bean, dus niet klimmend, Tongue of Fire. Eén variant komt uit Italië, een andere uit Tierra del Fuego (de mijne waren in feite klimmers: een derde variant misschien?). Lingua di Fuoco zijn `altijd Nr 1 in kookproeven'. De onze ook, ze zijn heerlijk. Een recent onderzoek schijnt te hebben uitgewezen dat als er een pil bestond die in de dagelijkse voedselbehoefte kon voorzien, 26 procent van de Amerikanen die zouden verkiezen boven echt voedsel, maar gelukkig bestaan er ook nog mensen die trouw blijven aan de bijna verdwenen groetesoorten van vroeger.

In Amerikaanse boeken wordt altijd het aantal dagen tussen zaaien en oogsten vermeld, informatie die ik om een of andere reden – ik heb het nooit gecheckt – fascinerend vind (70 à 75 dagen voor lingua di fuoco, nog langer als ze moeten drogen). Dit boek geeft ook kweekadviezen, data van introductie, en veel adressen, voor ons wat minder nuttig, want in Amerika.

Dan is er On Gardening van Penelope Hobhouse, met foto's van Andrew Lawson (Macmillan, ƒ39,50 bij De Slegte). Een prachtig boek, het verhaal van haar tijd op Tintinhull, een domein van de National Trust in Cornwall, waarvan de tuin werd ontworpen door Phyllis Reiss in de jaren dertig en veertig. Het boek heeft de vorm van een beschrijving van de tuin, met veel praktische informatie en bijzonder mooie foto's. Ook een tikkeltje Amerikaans georiënteerd, vermoedelijk geschreven voor de Amerikaanse markt.

De aanpak van Penelope Hobhouse is wetenschappelijk – ze ontwerpt ook tuinen – en haar advies is om eerst de grote tuinen van de Italiaanse Renaissance te bezoeken, om hun gebruik van de ruimte, de terrassen, de prachtige bomen. Ze beveelt Danaë racemosa aan voor schaduwrijke plekken: een heester die `geliefd was in de tuinen van de Italiaanse Renaissance'. Toen wel misschien, maar in de wereld van hier en nu is het heel moeilijk om er een te pakken te krijgen; in mijn ervaring ontraden kwekers hem altijd, maar dat komt misschien doordat ze hem niet in voorraad hebben. Hobhouse heeft een voorkeur voor planten van de oorspronkelijke soort boven cultivars. Ze vindt dat veel nieuwe hybriden die voor speciale doeleinden gekweekt zijn, `de neiging hebben hun subtielere kwaliteiten te verliezen'. En ik leerde van haar waarom mijn Hydrangea quercifolia niet gedijt: hij moet opgebonden worden tegen de muur.

Een heel on-Amerikaans boek, veel beter dan de afschuwelijke titel suggereert, is: Mijn tuin, mijn leven... Zo tuinieren Engelse vrouwen door Helen Penn (Terra, ƒ14,95 bij De Slegte). In het Engels heette het, iets neutraler, An Englishwoman's Garden; het gaat over Engelse tuiniersters die schrijven, doceren of kweken. Sommige van de teksten zijn heel komisch, zoals Every Lady's Guide to Her Own Greenhouse, door `Een Dame' (1851), herinnerend aan hoe Elizabeth von Arnim niet mocht werken in haar eigen tuin, en andere amusante beschrijvingen van vroege tuiniersters, zoals Lady Frances Wolseley, oprichtster van een tuiniersschool, die ze `met militaire discipline' leidde, en de eerste vrouwen die werkten in Kew Gardens, met wie de spot werd gedreven om hun `bloomers'. Het boek bevat ook een opvallende foto van de tuin van Miriam Rothschild, bedolven onder klimplanten en wilde bloemen: zo'n tuin zou ik best willen hebben.

En dan nog iets anders, niet in de ramsj: het driemaandelijkse tijdschrift Onze Eigen Tuin. In het huidige nummer (winter 1999) staat een van de mooiste tuinbijdragen die ik ooit heb gelezen, al heeft het eigenlijk niets met tuinieren te maken. Het is het verhaal van een kip genaamd Piep. Piep werd als levend kuikentje binnengebracht door de kat en eerst Fa genoemd, omdat zij aanvankelijk voor een fazant werd aangezien. De kat zal zijn initiatief betreurd hebben, want Fa/Piep ontwikkelde zich tot een gekoesterde huiskip, die de kat uit al zijn behaaglijke plekken in huis verdreef. Zelfs zijn eten was niet meer veilig. Een prachtig geschreven verhaal, dat mij herinnerde aan ons betreurde kuiken Twietie, en aan Marjo, de tamme kip van vrienden van ons, een schat van een dier. Het is duidelijk: in iedere tuin zou een kip moeten zijn. Om vijf uur, rond borreltijd, gaat Piep nog altijd even kijken bij het huis van Mien Ruys – helaas niet langer bewoond, maar `kippen hebben nu eenmaal vaste gewoontes'.

De vader van de Amerikaanse dichter Theodore Roethke was tuinder en Roethke groeide min of meer op in een kas. Zijn jeugd tussen de bloemen is het onderwerp van zijn dichtbundel The Lost Son (1948). Dit boek heb ik niet in de ramsj gevonden maar in de bibliotheek; er is heel wat tuinpoëzie, maar niet veel van deze kwaliteit. Roethke beschrijft hoe de kassen een storm doorstaan, alsof het schepen waren, en hoe de vrouwen die in de kassen werkten (`Frau Bauman, Frau Schmidt en Frau Schwarze') voor de planten zorgden (`With a tendril for needle/ They sewed up the air with a stem') en ook voor hem als klein jongetje.

Er bestaan in de wereldliteratuur niet veel gedichten over stekjes, maar om nooit meer te vergeten zijn deze regels: `This urge, wrestle, resurrection of dry sticks,/ Cut stems struggling to put down feet,/ What saint strained so much,/ Rose on such lopped limbs to a new life?' Ik zal stekken voortaan met nog meer respect bekijken.