ONTZAMELWOEDE

In de wetenschapsbijlage van 20 november deed directeur Veeneman van het Leidse museum voor wetenschapsgeschiedenis Boerhaave zijn beklag over het museumbeleid. Net als sommige directeuren van kunstmusea meent hij dat het hoog tijd wordt dat musea het recht krijgen spullen te verkopen. Boerhaave heeft bijvoorbeeld meerdere microscoopjes van Antoni van Leeuwenhoek, maar mist nog een achttiende-eeuwse Marshall-microscoop. Waarom dus niet met een ander museum geruild, of een Leeuwenhoek verkocht en met dat geld de collectie gecompleteerd? De depots puilen uit, zei hij verder nog. Een deel daarvan kan naar het oud ijzer of naar de handel.

Veeneman heeft natuurlijk gelijk dat de aanwas van zijn collectie niet onbeperkt kan doorgaan en dat selectie nodig is. Maar de criteria die hij daarbij hanteert wekken de indruk dat er in Boerhaave een fundamenteel misverstand heerst over de functie van een wetenschapshistorisch museum. Veeneman praat alsof hij directeur is van een kunstmuseum. Hij heeft het over `topstukken' versus `oud ijzer', over het vervangen van exemplaren van mindere kwaliteit door `betere', en over het `completeren' van de collectie. Hij zou dan wel een wat ouderwetse kunstverzamelaar zijn, want de antiquarische drang naar compleetheid, door de tijd heen, wordt in de kunstwereld nu juist door menigeen verlaten.

Maar belangrijker nog: wetenschappelijke instrumenten zijn geen kunstvoorwerpen. Het zijn gebruiksvoorwerpen van de onderzoeker, en hun historische belang zit hem niet alleen in hun verzamelwaarde of hun esthetische kwaliteiten, maar vooral ook in wat ze vertellen over het wetenschappelijk onderzoek in het verleden. Een door intensief gebruik gebutst en versleten instrument kan minstens zo interessant zijn als een ongeschonden exemplaar. Een term als `beter' is in dit verband dan ook dubieus. En het is een illusie te denken dat welke `expert' ook in dezen het laatste woord kan hebben. Bovendien: als je meer Leeuwenhoekmicroscoopjes hebt, kun je ook redeneren dat je juist moet proberen er nog meer te krijgen en je te specialiseren in de documentatie van Leeuwenhoeks werk en techniek.

Boerhaave daarentegen wil van alles wat, en dan nog liefst de `topstukken'. Wanneer de complete nalatenschap van een belangrijk Nederlands onderzoeker wordt aangeboden, wil men dan ook alleen de `leuke stukken' eruit plukken. Een gruwel voor de wetenschapshistoricus, want zo gaat de enorme toegevoegde waarde van zo'n collectie als geheel verloren. Boerhaave wil, zo lijkt het, geen wetenschapshistorisch museum zijn, maar een museum voor het wetenschappelijk instrument. Waarbij men kennelijk nog uitgaat van het aloude ideaal van de eenheid van kunsten en wetenschappen en zijn collectie voor het publiek uitstalt als een achttiende-eeuws `konstkabinet' en niet als een illustratie van de rol van het instrument in de wetenschapsontwikkeling. Wetenschapshistorici zijn er niet mee gediend, en het publiek evenmin. Ontzamelen is noodzakelijk, maar het is een geruststellende gedachte dat musea niet autonoom kunnen beslissen hoe dat moet.