Militairen in Afrika wijken met tegenzin

Niger en Guinee-Bissau verruilden afgelopen week een junta voor een burgerregering. Daarmee is het aantal Afrikaanse landen onder militaire leiding tot twee gehalveerd: Burundi en de Comoren. Maar in Niger en Guinee-Bissau is de rol van het leger nog niet uitgespeeld.

Hij heeft zijn woord gehouden, majoor Daouda Malam Wanké, de voormalige leider van de presidentiële garde in Niger. Binnen negen maanden nadat die garde haar broodheer, president Ibrahim Maïnassara Baré, op 9 april van dit jaar een kogel door het hoofd schoot, zou Wankés militaire Raad voor Nationale Verzoening terugkeren naar de kazernes.

Vorige week bracht hij – in burger – als eerste zijn stem uit bij de verkiezingen van een president en een parlement, de derde in dertig jaar van confrontaties tussen politici en militairen. Hij zei dat hij stond te popelen om het veld te ruimen als staatshoofd. Een verrassende uitspraak voor een officier die tot twee keer toe was betrokken bij een staatsgreep. Maar Wanké zei dat die coups alleen waren bedoeld ,,om politici bang te maken zodat ze weer aan het werk gaan''.

Sinds de onafhankelijkheid van Frankrijk in 1960 hebben de politici er steeds opnieuw een potje van gemaakt. In de jaren 1968-1974, tijdens het eenpartijbewind van president Hamani Diori, werd het Sahelland geteisterd door een langdurige droogte die de weidegronden van de noordelijke nomaden verschroeide. De burgerregering liet toe dat broodnodige voedselhulp niet belandde bij de hongerende bevolking maar tegen woekerwinsten werd verhandeld door ambtenaren en ministers. Politici in Niger komen van oudsher alleen maar op voor de stedelijke belangengroepen. In de brousse, het stedelijk scheldwoord voor het Niger van de dorpen, waar negentig procent van de bevolking leeft, zijn ze niet geïnteresseerd.

Een staatsgreep onder leiding van de toenmalige chef-staf van de strijdkrachten, luitenant-kolonel Seyni Kountché, maakte in 1974 een einde aan het wanbeleid van de burgerregering. Politieke partijen werden ontbonden, maar dat leek het volk niet te deren: onder Kountché maakte Niger een economische bloeiperiode door. Hij verhoogde het staatsaandeel in de door Fransen geëxploiteerde uraniummijnen. Die extra inkomsten gebruikte hij voor de uitbreiding van het wegennet. Voor het eerst sinds jaren kon het land ook weer in zijn eigen voedselbehoefte voorzien.

Na de dood van Kountché in 1987 belandde Niger onder zijn opvolger, kolonel Ali Saïbou, al snel in een politieke crisis. De kelderende wereldmarktprijs voor uranium, een opstand van Touaregs in het noorden, en pijnlijke bezuinigingen onder druk van het Internationaal Monetair Fonds waren daar de belangrijkste oorzaken van. Burgerpolitici mochten proberen het puin te ruimen. Mahamane Ousmane, die jaren had geijverd voor terugkeer van de democratie, werd in 1993 gekozen tot president.

De drie jaar die volgden bevestigden de mening van de militairen dat ze het landsbestuur niet konden overlaten aan politici. Partijen bestreden liever elkaar dan onderontwikkeling en armoe. De machteloosheid van de regering groeide nog toen president Ousmane na een verkiezingsoverwinning van de oppositie zijn coöperatieve premier Mahamadou Issoufou moest inruilen voor zijn politieke rivaal Hama Amadou. Het duo raakte verwikkeld in een verlammende machtsstrijd waarbij president en premier over en weer arrestatiebevelen tegen elkaar uitschreven.

Met een staatsgreep begin 1996 maakte de voormalige adjudant van Kountché, kolonel Ibrahim Maïnasssara Baré, een eind aan de impasse. Hij legitimeerde zijn gezag door in juli overtuigend de presidentsverkiezing te winnen. Drie jaar later, na een reeks van stakingen, militaire muiterijen en sociale onlusten, kwam Baré zelf bij een staatsgreep aan zijn eind.

En opnieuw krijgen de politici een kans. Zelf lijken ze dit keer ook te beseffen dat ze deze mogelijkheid niet mogen verbruien. Alle presidentskandidaten wierpen zich op als vredestichters en zeiden dat er een regering van nationale eenheid moest komen.

Alleen op die manier kan het vertrouwen worden hersteld van de internationale gemeenschap die na de laatste coup alle financiële steun had opgeschort. Alleen met buitenlandse hulp kan verdere verpaupering en verloedering worden gekeerd. Niger is het op een na armste land ter wereld. Een natie die kreunt onder een buitenlandse schuld van 1,3 miljard dollar. Een land waar de levensverwachting 42 jaar is, 86,4 procent van de bevolking niet kan lezen of schrijven, scholen geen boeken hebben, ziekenhuizen het moeten stellen zonder medicijn.

Volgens de uitslagen die deze week zijn binnengedruppeld en die nog officieel bekrachtigd moeten worden, heeft Tandja Mamadou de presidentsverkiezingen verrassend gewonnen. De 61-jarige leider van de Mouvement National pour une Société de Developpement (MNSD) kreeg 60 procent van de stemmen. De nieuwe burgerpresident steunde als officier de coup van 1974. Van 1974 tot 1989 maakte hij deel uit van de Hoge Militaire Raad. Zijn zege dankt hij vooral aan de steun van ex-president Ousmane die half oktober in de eerste ronde van de verkiezingen als derde was geëindigd. Samen wonnen de partijen van Mamadou en Ousmane 51 van de 83 zetels in het parlement.

De grote favoriet bij de verkiezingen, Mahamadou Issoufou, werd aan het slot van de strijd gehinderd door geruchten over Libische financiële steun voor zijn campagne en een splitsing binnen zijn partij. Zijn Parti Nigérien de la Démocratie et du Socialisme wordt met 16 zetels de op twee na grootste partij. Mahamadou genoot de steun van de meeste regeringsleiders in de buurlanden. Hij was ook juntaleider Wankés eerste keus.

Grote vraag blijft of de nieuwe burgerregering het militaire apparaat permanent weet te onderwerpen en ook de onvrede onder ambtenaren en studenten weet te beteugelen. Dat kan alleen met buitenlandse financiële steun. Die hulp is op korte termijn al nodig om de overheidssalarissen te betalen. Begin oktober kwamen militairen in de garnizoensstad Maradi nog in opstand omdat ze al maanden geen soldij hadden gekregen.

Volgens politiek analist Ukowa Ukiwe, hoofd van het Nigeriaanse Centre for Advance Social Sciences, doet de regering van Niger er ook verstandig aan de politieke steun in te roepen van het grote en machtige buurland Nigeria. Een land dat in de loop van dit jaar ook een militaire junta heeft ingewisseld voor een burgerregering. Ukiwe stelt voor dat Niger het voorbeeld van Nigeria volgt en alle militairen die een politieke functie hebben vervuld met pensioen stuurt. Maar daarvoor moet dan wel voldoende geld beschikbaar zijn.