Militairen in Afrika wijken met tegenzin

Niger en Guinee-Bissau verruilden afgelopen week een junta voor een burgerregering. Daarmee is het aantal Afrikaanse landen onder militaire leiding tot twee gehalveerd: Burundi en de Comoren. Maar in Niger en Guinee-Bissau is de rol van het leger nog niet uitgespeeld.

Generaal Ansumane Mané voelt zich wel vaker miskend en onbegrepen. Laatst nog in een gesprek met het Franse persbureau AFP. De chef-staf van de strijdkrachten in Guinee-Bissau bezwoer dat hij nooit op de macht geaasd heeft. Hij is een verdediger van de democratie, geen ondermijner. Ook al pleegde hij vorig jaar een staatsgreep die het land in een burgeroorlog stortte, en verjoeg hij dit najaar het staatshoofd. ,,Politici moeten natuurlijk wel hun werk goed doen.''

De generaal is een waardige vertegenwoordiger van zijn troepen. Net zoals hij voelen de meeste soldaten zich al jarenlang misbruikt en ondergewaardeerd. Oud-strijders zoals kapitein Ansumane Cisse, inmiddels 60, herinneren er met gretigheid aan dat het West-Afrikaanse land zijn onafhankelijkheid aan het volksleger heeft te danken. En wie plukten daarvan de rijpe vruchten? Wie kregen de goede banen en de dikke salarissen? Dat waren de politici. Het voetvolk lieten ze creperen. Hoe kan hij zijn familie van 15 personen in hemelsnaam voeden van zijn maandelijks pensioen van 25 dollar. Cisse zegt dat hij de wapens weer opneemt als daar onder een nieuwe regering geen verandering in komt.

Onvrede binnen het leger leidde in 1980 tot een staatsgreep nadat twee jaar eerder al een coup was mislukt. De burgerregering van Luis Cabrol moest wijken voor een militaire junta onder leiding van ex-guerrillaleider João Bernardo Viera. En het volk haalde opgelucht adem. Cabrol had een dictatuur gevestigd waarin de politiek werd gemonopoliseerd door de PAIGC. Een actieve veiligheidspolitie zorgde ervoor dat elke potentiële dissident in het gevang verdween of werd vermoord.

De politieke repressie verminderde in de jaren tachtig onder president Viera, maar voortdurende couppogingen leidden tot grote politieke instabiliteit. De sociale en economische crises waar het land mee worstelde, werden daardoor alleen maar versterkt. Corruptie en wanbeleid remden de industriële en agrarische ontwikkeling. Het land dat is gezegend met rijke, uitgebreide visgronden en bodemschatten als bauxiet en olie, steeg steeds hoger op de ranglijst van armste landen in de wereld.

Ook de eerste vrije verkiezingen die in 1994 werden gehouden, brachten daarin geen verandering. Alleen door misbruik van de staatskas en het staatsapparaat wist president Viera zijn positie te behouden, ten koste van zijn rivaal Kumba Yalla die maar vier procent minder stemmen kreeg. Toen Viera vorig jaar opnieuw probeerde zijn positie met kunstgrepen te consolideren, en zijn oude guerrillakompaan Mané als chef van de strijdkrachten ontsloeg, greep het leger in. Een burgeroorlog en 2.000 doden later viel voor Viera dan toch definitief het doek. Sinds mei is een overgangsregering aan de macht, in afwachting van verkiezingen die afgelopen zondag en maandag onder toezicht van de Verenigde Naties zijn gehouden.

Generaal Mané legt zich neer bij de uitslag van de verkiezingen, hoe die ook uitvalt, heeft hij tevoren beloofd. Maar hij wil ook dat de burgerregering een pact sluit met het leger. De militairen moeten speciale bevoegdheden krijgen. Ze moeten worden geconsulteerd bij de benoeming van regeringsleden. En de junta blijft nog zeker tien jaar actief als `waakhond'. Een president die niet trouw blijft aan zijn verkiezingsbeloften, zei Mané, vraagt erom te worden afgezet. Ook zei Mané dat militairen met loonsverhogingen en privileges moeten worden beloond voor de offers die ze voor de democratie hebben gebracht.

Een nieuwe confrontatie tussen leger en burgerregering kondigt zich al aan. De leider van de PRS, Kumba Yalla, die vijf jaar geleden naast de macht greep, eiste gisteren de zege van de presidentsverkiezing op, al zijn alle stemmen nog niet geteld. Zeker is dat Yalla interim-president Malam Bacai Sanha, de PAIGC-kandidaat en favoriet van de junta, achter zich laat. Yalla heeft al laten weten dat hij geen pact met het leger sluit.

Yalla staat voor een lastige keuze. Het armlastige land kan zich een leger van 23.000 man niet langer permitteren, laat staan een loonsverhoging voor militairen. Maar als hij de onvrede binnen het leger niet wegneemt, regeert hij niet lang. De keuze van Yalla wordt nog bemoeilijkt door de uitslag van de parlementsverkiezing. Volgens de voorlopige uitslag eindigt zijn partij als tweede, achter de RGB, maar vóór de vroegere eenheidspartij PAIGC.