EUROPEES BOS HERSTELT ZICH UITERST MOEIZAAM NA GROOT UITSTERVEN

Onderzoekers van het Laboratorium voor Paleobotanie en Palynologie van de Universiteit Utrecht hebben het herstel van de Europese bossen na de grootste ecologische crisis aller tijden in kaart gebracht. Die crisis had 251 miljoen jaar geleden plaats, aan het eind van het Perm. Uit het onderzoek blijkt dat de bossen extreem lang nodig hadden, 4 tot 5 miljoen jaar, om zich na die mondiale crisis weer te herstellen (Proceedings of the National Academy of Sciences, 23 nov).

De duur van het herstel hangt waarschijnlijk samen met de ernst van de ecologische ramp die aan het eind van het Perm plaats had, toen alle continenten bij elkaar kwamen te liggen en het supercontinent Pangaea vormden. Daardoor nam het totale oppervlakte aan ondiepe kustwateren af, de zeeën tussen de continenten verdwenen. Of dat de oorzaak is van de crisis is niet duidelijk. De Utrechtse onderzoekers hebben inmiddels aanwijzingen gevonden voor het optreden van massaal vulkanisme in Siberië. De gevolgen daarvan – opwarming van de aarde door CO2-uitstoot en zure neerslag door de uitstoot van verzurende gassen zoals SO2 – waren volgens de onderzoekers eerder de reden van de massale uitstervingsgolf. Met name onder de mariene dieren vond een ware slachting plaats: naar schatting 96 procent van alle soorten verdween. Ook op land was de sterfte aanzienlijk. Van de soorten reptielen en amfibieën, de eerste landdieren, stierf naar schatting 99 procent. Ook de diversiteit aan planten nam af, maar hoeveel is niet duidelijk. De massale uitsterving aan het eind van het Perm is de grootste die er ooit is geweest. Hij wordt ook wel `the mother of mass extinctions' genoemd.

Op het Europese continent, dat destijds veel dichter bij de evenaar lag, verdween het bestaande coniferenbos. Hierdoor trad er waarschijnlijk een verhevigde erosie van de opeens onbeschermde bodem op. Pionierende soorten die aangepast waren aan extreem gestresste milieus wisten te overleven. Daaronder bevonden zich met name wolfsklauwachtigen (lycopsiden) zoals Isoetales. Het landschap werd 4 tot 5 miljoen jaar gedomineerd door deze wolfsklauwachtigen. Het waren een tot twee meter hoge planten die eruitzagen als stokken met bladeren. Ze verspreidden zich over het Europese continent en vormden talloze nieuwe soorten. Varens, zaadvarens en paardestaartachtigen waren in mindere mate aanwezig. Pas na miljoenen jaren verschenen de eerste coniferen weer. Eerst als struik, pas later als boom. De vervanging van de wolfsklauwachtigen door de coniferen duurde een half miljoen jaar.

Het herstel van het Europese bos na de Perm-uitsterving duurde ongekend lang, zo stelt Hermann Pfefferkorn van de universiteit van Pennsylvania in een commentaar. Normaal herstellen verstoorde ecosystemen zich sneller. Verdwenen planten keren vaak terug naar de plek waar ze ooit groeiden. Die migratie gebeurt uit zogenoemde refugia, beperkte gebieden waar de planten weten te overleven. Waar de refugia van de Europese coniferen zich bevonden weten de Utrechtse onderzoekers niet. Ze noemen Afrika, Arabië, Pakistan en Noord-Amerika als mogelijkheden.

Het langzame herstel van het Europese bos is volgens Pfefferkorn te wijten aan de massaliteit van de uitsterving. De soortenvariatie nam sterk af. Het geringe aantal overgebleven soorten kon niet meteen profiteren van de vrijkomende ruimte, omdat ze niet optimaal aan die braakliggende gebieden waren aangepast. Vervanging gaat langzamer naarmate de genetische variatie van de achterblijvers geringer is. Voor de Australische veenbossen en de koraalriffen in veel zeeën die na het Perm verdwenen geldt hetzelfde. Ook hun vervanging duurde uitzonderlijk lang.

Het Utrechtse onderzoek is volgens Pfefferkorn belangrijk voor het begrip van plotselinge grote veranderingen op aarde. Of dit nog van toepassing is op de huidige veranderingen die de mens veroorzaakt – onder andere door het kappen van regenwouden, het leegvissen van de oceanen en het uitstoten van broeikasgassen – laat hij in het midden.