DNA als uitvinding

WIE IS DE EIGENAAR van de naar schatting 100.000 genen van de mens als over enkele jaren het erfelijk materiaal van Homo sapiens in kaart is gebracht? Hebben biotechnologische en farmaceutische bedrijven zich dat erfelijk materiaal dan via patenten toegeëigend?

Deze week kondigde een internationaal team van onderzoekers aan dat ze chromosoom 22 van de mens in kaart hadden gebracht. Het is het eerste menselijke chromosoom waarvan de DNA-code zo goed als helemaal is ontcijferd. Dat is een mijlpaal voor het Humane Genome Project, dat het menselijk genoom vóór 2003 helemaal in kaart wil hebben. Die genetische kennis kan gebruikt worden bij het bestrijden van ziektes. We kennen op dit moment zo'n vierduizend ziektes die terug zijn te voeren op een fout in één gen; maar de meeste `grote' ziektes als kanker en hart- en vaatziekten worden veroorzaakt door mutaties aan verscheidene genen. Kennis van het erfelijk materiaal geeft genetici meer inzicht in deze complexe ziekten.

TEGELIJKERTIJD duiken naar aanleiding van deze doorbraak talloze vragen op. Over de mogelijkheid om mensen in de toekomst genetisch te manipuleren, over genetische discriminatie, over eigendomsrecht.

De vraag over het eigendomsrecht is eigenlijk al achterhaald, want DNA mag al jaren worden gepatenteerd. In Japan, Amerika en Europa zijn al zeker duizend patenten op genen toegekend aan 300 bedrijven. Het schetst de snelle vercommercialisering van biologisch materiaal zoals DNA en eiwitten. In 1995 waren er in Europa 584 biotechnologiebedrijven. Twee jaar later waren dat er al 716. Een belangrijk deel daarvan houdt zich bezig met biomedisch onderzoek, waarvoor het erfelijk materiaal van de mens interessant is. Het aantal werknemers steeg in die tijd met 60 procent naar 27.500, en ook de aandelen van deze bedrijven stegen flink in waarde. De investeringen in onderzoek en ontwikkeling namen met 20 procent toe tot 3,15 miljard gulden. De bedrijfswinsten stegen sinds 1995 met 17 procent tot 3,61 miljard gulden. Beleggers hebben steeds meer belangstelling voor biotechnologie. De nationale overheden stimuleren die ontwikkeling. Zo is in de omgeving van München in een paar jaar tijd met miljoenen aan overheidssubsidies een verzameling van tientallen biotechnologiebedrijven, Bavaria-Valley, uit de grond gestampt.

DOOR DIE RAZENDSNEL toenemende belangstelling is er, in juridisch opzicht, iets opmerkelijks gebeurd met het biologisch materiaal. Cellen, eiwitten en DNA zijn ondergebracht in het `rijk der uitvindingen'. In 1953 meldden Watson en Crick de `ontdekking' van het DNA, de basis van het leven. Maar op een ontdekking rust geen patentrecht. Pas als iets een `uitvinding' is, kan het worden gepatenteerd.

De regelgeving is in de afgelopen jaren aangepast om DNA patenteerbaar te maken. In eerste instantie zaten daar nog stevige verplichtingen aan vast, maar al die eisen zijn inmiddels vervallen. Elke DNA-code die uit een DNA-machine rolt is in principe patenteerbaar geworden. De jacht op het DNA is nu geopend. Biotechbedrijven zullen elkaar in de toekomst steeds vaker in de rechtszaal zien omdat blijkt dat ze een patent hebben op vergelijkbare stukken DNA.

OF DIT ALLES gevolgen heeft voor de voortgang van het wetenschappelijk onderzoek is nog niet duidelijk. Iedereen kan inmiddels rijk worden met het domweg in kaart brengen van een stukje DNA, en dat kan tegenwoordig elke moleculair bioloog. Dat heeft niets meer te maken met het oorspronkelijke idee achter het patent: het belonen en beschermen van een slimme uitvinding. Bovendien is het mijlenver verwijderd van de opvatting dat DNA en eiwitten al miljarden jaren onderdeel uitmaken van de planeet waarop wij leven. Aan die moleculen valt niets uit te vinden. Die principes zijn nu verlaten, om de economisch aantrekkelijke ontwikkelingen in de biotechnologie niet te blokkeren. Met wetenschap heeft dat in ieder geval niets te maken.