Wrange vruchten van wilde jaren

Zoals de Tweede Wereldoorlog een legioen schrijvers heeft beziggehouden, staat nu de literaire oogst van de culturele revolutie van de jaren zestig op de velden. De ene na de andere roman verschijnt met deze episode als onderwerp. Volgens het spreekwoord herkent men aan de vruchten de boom: het valt achteraf niet mee.

Tijdens het lezen van Josine Marbus' roman Oefenmeisjes, drong zich bij mij een vergelijking op met Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq, en niet alleen omdat het verhaal zich voor een groot deel afspeelt op een Franse camping waar seksuele lusten ruimschoots worden botgevierd. Marbus (1966), die twee jaar geleden debuteerde met de geslaagde roman Winterkind over een gruwelijke verkrachting, rekent op haar manier af met de (seksuele) moraal van de jaren zestig en zeventig. Ze heeft het over de wrange vruchten die volgende generaties daarvan plukken.

De ouders van haar hoofdpersoon, de 16-jarige Yvonne, zijn producten van het onstuimige tijdsgewricht waarin wereldbeelden kantelden. Op de Franse camping doen ze gretig aan partnerruil met een ander Nederlands echtpaar en luidruchtig speculeren de dames over de omvang van het geslachtsdeel van de mismaakte dwerg die de camping leidt.

Uit verveling (de volwassenen zijn alleen met zichzelf bezig), uit nieuwsgierigheid en een beetje uit lust verleidt Yvonne de dwerg. Hun plastisch beschreven vrijpartij in een douchekabine wordt ontdekt, er volgt een klopjacht op de dwerg die ten slotte een doodsprong maakt het ravijn in. Na de vakantie blijft Yvonne een jaar ziek uit protest tegen haar ouders (moordenaars), op wie ze tijdens hun twintigjarige huwelijksfeest wraak neemt. Op het hoogtepunt van de festiviteiten slaat ze publiekelijk aan het masturberen en uiteindelijk steekt ze zichzelf per ongeluk in brand.

Grootse literatuur levert dit niet op, hoewel Marbus met verve schrijft en goed in staat is spanning op te bouwen. Wat het boek interessant maakt, is het thema van de bezinning op of verwerking van de `uitwassen van de seksuele revolutie'. Ze is niet de enige die de verworven- of verdorvenheden van de jaren zestig en zeventig literair probeert vorm te geven. Mannelijke en vrouwelijke auteurs van uiteenlopende generaties storten zich op deze thematiek: van Robert Anker (Vrouwenzand) en Adriaan van Dis (Dubbelliefde), tot feministe van het eerste uur Germaine Groenier, schilderes-schrijfster Chaja Polak en de verrassende debutante Anne Wiarda.

Germaine Groenier, bekend van de VPRO-radio waarvoor ze in de jaren zeventig een programma presenteerde dat een prelude vormde op de 06-sekslijnen, publiceerde – na een boek over haar jeugd – een tweede autobiografische roman. Dit keer gaat het over haar tijd als Dolle Mina. Ze maakte deel uit van de abortusgroep van deze feministische beweging en beschrijft uitvoerig wat haar bewoog. Op haar negentiende raakt ze ongewenst zwanger. Van haar ouders moet ze trouwen en als dat huwelijk na een paar jaar op een scheiding uitloopt, blijft ze alleen achter met twee kinderen. Haar leven lijkt in puin te liggen, tot ze in de gelegenheid wordt gesteld in Hilversum een regie-opleiding voor televisie te volgen. Daar, in dat vrijgevochten mannenbolwerk, wordt ze feministe en na de oprichting van Dolle Mina besluit ze te gaan ijveren voor legalisering van abortus: andere vrouwen mag niet het zelfde gebeuren wat haar is overkomen.

Josine Marbus zou Groeniers dochter kunnen zijn, behorend tot de generatie vrouwen die profijt hebben van de door de feministische beweging bevochten rechten, maar niets van het feminisme willen weten. Groenier, althans de hoofdpersoon in haar boek, heeft zo'n dochter: een vrouw van in de twintig die op het punt staat een (legale) abortus te laten plegen, maar de wettelijk voorgeschreven vijf dagen bedenktijd in acht moet nemen. Gedurende die vijf dagen aarzelt en tobt de moeder veel meer dan haar dochter, totdat ze ontdekt dat haar onlustgevoelens neerkomen op jaloezie. Ze misgunt haar (ooit ongewenste) kind de keuzevrijheid die zij heeft moeten ontberen.

Het boek zit vol aardige anekdotes, het geeft – in de terugblikken op het Amsterdam van de jaren zestig en zeventig – een beeld van schaduwzijden van de seksuele revolutie, waar vooral mannen van profiteerden. Helaas kan Germaine Groenier niet schrijven, met als gevolg dat Vijf dagen bedenktijd geen moment overtuigt. De stijl is die van een mislukt meisjesboek en Groeniers taalbeheersing is abominabel (`mannen waar we tegenop kijken', `terwijl ik me besef', `wat er ook gebeurd') en dan heb ik het nog niet eens over de verkrachting van Vondel, wiens beroemdste dichtregels ze verkeerd citeert. En maar schelden op de intellectuele studentes die Dolle Mina kapot probeerden te maken.

In Verloren vrouw beschrijft Groeniers generatiegenote Chaja Polak (1941) dezelfde periode, maar dan vanuit de optiek van een volstrekt niet feministisch slachtoffer van de seksuele revolutie.

Ook in deze roman, zich afspelend in een Amsterdams grachtenpand, doet men aan partnerruil. Fanny, die we al kennen uit Polaks vorige boek Tweede vader, bewoont met haar man Mendel en hun zoontje een etage in het oude patriciërshuis. Mendel heeft een relatie met de benedenbuurvrouw Ada en dwingt Fanny het bed te delen met Ada's echtgenoot. Fanny laat met zich sollen, is niet in staat voor zichzelf op te komen en wordt langzaamaan gek - een proces dat Chaja Polak zeer suggestief en beklemmend beschrijft. Op de achtergrond speelt, zoals in al haar werk, de Tweede Wereldoorlog een prominente rol. Fanny en Mendel zijn als joodse kinderen de oorlog niet onbeschadigd doorgekomen en allebei hebben ze moeite zich daarover te uiten. De `dolle jaren zestig' waarin alles leek te kunnen en waar iedereen zich zo nodig moest `bevrijden' worden hier – heel subtiel – geschetst als één uitbundige reactie op de benauwenis van de oorlog. Voor Fanny, maar niet alleen voor haar, is deze `bevrijding' echter bedreigend, vergelijkbaar met de oorlog maar nu zonder onderduikadres. Uiteindelijk steekt ze – de overeenkomst met Marbus is opvallend - in een vlaag van waanzin het verdoemde huis in de fik.

Verloren vrouw is niet Polaks beste boek. Het draagt de sporen van haast, de beeldspraak laat te wensen over (`de naakte blindheid in zijn gezicht smeekte om begrip') en het is beroerd geredigeerd (`Ze keek als om hulp naar Floris', `een schone emmer water', `een wandkleed, die', `de langzame verstand').

Vergeleken bij Groenier en Polak zijn taal en stijl wel goed verzorgd in Bleu, de debuutroman van Anne Wiarda (1949). Evenals Vijf dagen bedenktijd is dit boek een autobiografische sleutelroman. Het verhaal speelt in de hogere Haagse kringen van de jaren zestig en zeventig. Het kan niet anders of de hoofdpersoon, het opgroeiende meisje Vera de Vries, is de dochter van de anti-revolutionaire politicus Jelle Zijlstra. Haar vriendin, Ada Haentjes Dekker, zal wel staan voor Ea de Gaay Fortman, dochter van de voormalige minister van binnenlandse zaken.

Anne Wiarda schetst een ontluisterend beeld van de familie De Gaay Fortman, inclusief zoon Bas die lijsttrekker werd van de PPR. Jelle Zijlstra botste verscheidene malen met de in zijn ogen te linkse `oude' W.F. de Gaay Fortman en zijn dochter maakt zich als het romanpersonage Vera tot zijn spreekbuis. `De oude Job Haentjes Dekker had een plaats in het kabinet-Den Uyl weten te bemachtigen en was lakmoesgewijs meteen rood ingekleurd.' Ada Haentjes Dekker wordt voorgesteld als een opportuniste, die in de jaren zeventig van bekakt gereformeerd meisje transformeert in een linkse studentenactiviste. Ze komt op voor vrije abortus (`Baas in eigen buik'), erkenning van de DDR, marxistische geschiedschrijving en wat dies meer zij. Als de politieke mode omslaat, verandert Ada mee: ze wordt weer even tuttig-rechts als vroeger en hetzelfde geldt voor de rest van het gezin Haentjes Dekker dat in de roman `die familie van eerst linksaf en daarna rechtsomkeert' wordt genoemd.

Jammer genoeg komen we over de familie De Vries, alias Zijlstra, evenals de Haentjes Dekkers woonachtig in het Haagse Marlot, veel minder te weten. Vera is een braaf, gezagsgetrouw meisje dat na haar middelbare school in Groningen gaat studeren en lid wordt van Magna Pete, waar het altijd feest is. De `revolutie' van de jaren zestig, zowel de politieke als de culturele en de seksuele, gaan volledig aan haar voorbij en ze eindigt in het boek even onbegrepen, onzeker en ongelukkig als ze begon.

Mooi aan Bleu zijn de zedenschetsen van het suffe Haagse milieu van de jaren zestig die – wellicht onbedoeld – duidelijk maken waarom de radicale omwenteling onontkoombaar en nodig was. Minder overtuigend, zelfs ongeloofwaardig is de sfeertekening van de jaren zeventig waar de hoofdpersoon al te naïef in figureert: wie na 1970 (het popconcert in Kralingen was al geweest) verbaasd reageert op het woord `links' omdat ze niet weet wat dat betekent, zoals Vera overkomt, is verstandelijk gehandicapt.

Anne Wiarda is dat geenszins. Op haar debuut is veel kritiek mogelijk, zoals het gebrek aan ontwikkeling van haar hoofdpersonen die beide `flat characters' blijven, maar er steekt ongetwijfeld een schrijfster in haar. Misschien moest dit autobiografische verhaal over een nog niet geheel verwerkte ingrijpende politiek-culturele omslag geschreven worden om de weg vrij te maken voor echt literair werk.

Germaine Groenier: Vijf dagen bedenktijd. Leven na Dolle Mina. Prometheus, 281 blz. ƒ34,90

Josine Marbus: Oefenmeisjes. Veen, 142 blz. ƒ24,90

Chaja Polak: Verloren vrouw. Vassallucci, 160 blz. ƒ29,90

Anne Wiarda: Bleu. De Arbeiderspers, 222 blz. ƒ29,90