Uitzonderlijke liefde

Op 5 april 1954 werd in het dorp Garderen (Gld.) een Spreek- en Studieclub opgericht. De dertien stichters hadden een dertien avonden tellende cursus `spreken in het openbaar' gevolgd bij het befaamde instituut `Rethorica', allen hadden het welsprekendheidsexamen met goed gevolg afgelegd. Er werd door hetzelfde instituut weliswaar nog een vervolgcursus aangeboden, maar de heren besloten tot oprichting van een eigen club. Meer dan dertien leden werd door de statuten uitgesloten (anders kon men niet thuis vergaderen), het spreek- en studieseizoen telde dertien bijeenkomsten. Toen Arjeh Kalmann de heren in de jaren zeventig voor de Amersfoortse Courant interviewde, zeiden ze een typisch vrouwelijke stem in hun midden te missen, maar voor de rest was men na 22 jaar erg tevreden over behoud en uitbouw van de retorische vaardigheden. En men keek terug op toegenomen algemene ontwikkeling en verbale vrijmoedigheid `in het kontakt met de bazen'. Naast de gewoonlijke formele accuratesse (notulen, vergaderorde) spraken de leden elkaar toe over verplichte onderwerpen. De bijeenkomst kon echter ook een `vrije avond' betreffen, waar het lid van dienst plotseling een toespraak diende te houden, waarin uiteenlopende elementen als `duimstok', `asbak', `suikerpot', `koeienpoot' en `knalpijp' evenredig en oorzakelijk met elkaar in verband werden gebracht. Staande in de huiskamer (nóóit zitten als men spreekt, denk aan het dichtknopen van het colbert!) werd dan een samenhangende toespraak gehouden, in beheerste dictie, gesteund door de wetenschap dat men onder elkaar al 22 jaar vertrouwd was, hoe genadeloos men zich binnen die vertrouwdheid ook over de anderen uit kon laten.

Arjeh Kalmann bundelde zijn Amersfoortse Courant-interviews in 1977, ze zijn nu onder de titel Beschouw ons maar als een uitzondering herdrukt, ditmaal samen met de schitterende foto's die Brand Overeem van de ondervraagden maakte, in hun inderdaad vaak buitenissige woonomgeving. De Garderense Spreek- en Studieclub is in alle opzichten een uitzondering. Overeems foto toont keurig geklede heren in een huiskamer, even ordelijk als hun vergaderingen: pluche op tafel, staartklok die de tijd in langzame tikken uitmeet, het lopertje op dezelfde staartklok, de sierstolpen in Delfts Blauw op de van boenwas stralende linnenkast. Het is slechts de retorica die de dertien heren hun rechtmatige plaats schenkt in dit boek.

Tussen alle uitzonderlijke figuren die Kalmann interviewde kunnen we hen als een uitzondering beschouwen, ze horen er ontegenzeggelijk bij.

Ver hoefde Kalmann niet te reizen voor de galerij buitenmaatschappelijke en rare types, die hij in Beschouw ons maar als een uitzondering uitstalt. De Veluwe bood twintig jaar geleden een keur aan gekken. Als ik mij niet vergis is dat nog steeds zo, al zullen Kalmanns uitzonderlijken zelf intussen wel zijn overleden.

Interviewer Kalmann is een scribent van het empathische soort, geen kritiek, maar melig en familiair al naar gelang de omstandigheden; de onbeholpen ons kent ons-toon. Toch werkt dat, want er staan prachtige schetsen in Beschouw ons maar als een uitzondering. De plattelandsarts die een aquarium bouwde waarin alle Nederlandse zoetwatervissen vertegenwoordigd zijn (`Zal ik je nog eens een héél gek verhaal over de zeelt vertellen?'), de man die autobanden spaarde om er een moeras mee te dempen, de ondernemer die theoretiseerde dat de Afsluitdijk overstromingen in Zeeland zou veroorzaken, torenbouwer Van Praag (`Ik heb altijd in het heelal geleefd'), Harderwijks filantroop Van Baren (`Ik heb al gegeven voor ik er zelf erg in heb'), grafdelver Lammert van de Pels (`Hoe ouder ik werd, hoe meer ik te doen kreeg'), godvruchtig auteur Jac van Overeem (wiens Opdat Zijn Huis vol worde uit 1974 drie drukken haalde), vrijbuiter Jaap Elders (`Ik doe geen moer, echt helemaal niets'), matrassenfabrikant Garrit den Herder (`Ik vul mijn voorraad niet meer aan, ik werk tot het hier leeg is'), voormalig topstroper en nu boswachter Cor Koppies (`Ik heb als stroper gewalgd van de methoden die ik wel moest hanteren') of vuilnisbeltschuimer Reinier Lablans (`In negentien jaar dagelijks schuimen heb ik twee keer een bijzondere vondst gedaan').

De meest ontroerende vondst die Kalmann en Overeem deden, vonden ze waarschijnlijk zelf ook het onroerendst: op de omslag van Beschouw ons maar als een uitzondering staat de foto van het paar Andries Bettink en Grietje Schalm afgedrukt. Uitzonderlijk? Ik hoop het niet, maar vrees het wel.

`Griet had al d'r leven bij boeren in de huishouding gewerkt,' schrijft Kalmann. `Ze had daar zóveel aan overgehouden dat ze een huisje in Voorthuizen kon kopen. En Andries, die loondorser was, had gehoord van een alleenstaand vrouwtje in Voorthuizen en op een goede dag stapte hij er in zijn goede pak op af.' Beter laat dan te vroeg. Andries was 45, Grietje was 51. Het leidde tot een uitzonderlijk grote liefde. Zo ziet het er tenminste uit op de foto, die Brand Overeem drieëndertig jaar ná de stap van Bettink maakte. Twee dolverliefde bejaarden, zittend op een stapel schutpalen. Met gespannen prikkeldraad op de achtergrond, dat wel. Maar zo is het nu eenmaal: hoe uitzonderlijk ook het leven, er zijn grenzen, eens komt de dood. Andries ging het eerst – hij was een man. Grietje ging later. Aan die waarheid vermocht zelfs de uitzonderlijke retorica van dertien keurige heren te Garderen (Gld.) niets te veranderen.

Arjeh Kalmann en Brand Overeem: Beschouw ons maar als een uitzondering. De Fontein, 256 blz. ƒ39,90