Reorganisatie is effectief medicijn

Kostenreductie en export hebben het grote Japanse bedrijfsleven weer tot leven gebracht. De recent gepubliceerde halfjaar- cijfers tonen een daling van de omzet, maar een stijging van winsten van beurs- genoteerde ondernemingen. Dankzij deze trend stijgt de beurs van Tokio dit jaar in een tempo dat lange tijd niet meer was vertoond.

Een vorig weekeinde gepubliceerde berekening van de Nihon Keizai Shinbun (Japans Economisch Dagblad) voorspelt bij afloop van het lopende boekjaar in maart 2000 een stijging van de nettowinst van 233 procent bij beursgenoteerde ondernemingen (uitgezonderd financiële instellingen).

Dit klinkt fors, maar men komt dan ook uit een diep dal. Deze nettowinst komt overeen met niet meer dan 1 procent van de omzet. Drager van dit resultaat is vooral de elektronica-industrie, waar de vraag naar bijvoorbeeld computers, mobiele telefoons en halfgeleiders flink is aangetrokken. Succesvolle bedrijven blijven echter sterk afhankelijk van de export, die momenteel weer wordt bedreigd door een stijgende yen.

Voor de in Japan veel toegepaste herstructureringen bestaat een zeer concrete aanleiding. Vanaf komend jaar moeten grote concerns de resultaten van dochterondernemingen in de eigen cijfers van het moederbedrijf opnemen. De oude truc om schulden, verliesmakende investeringen en overtollig personeel bij dochters onder te brengen en zo voor buitenstaanders te verbergen, komt daarmee ten einde. Dat Japanse ondernemers daar bedreven in waren, bleek wel uit de vele lijken die de afgelopen jaren bij faillissementen van financiële instellingen uit de kast kwamen.

Ook de `liefdadigheid' van bedrijven als Nissan – dat fabrieken op 50 procent van de capaciteit liet doordraaien – is ten einde. Het autobedrijf moest uiteindelijk met hangende pootjes bij Renault aankloppen, dat direct besloot fors te snijden. Mazda, dat onder leiding staat van grootaandeelhouder Ford, kondigde deze week aan dat het overeenkomsten zal sluiten met toeleveranciers over kostenreducties. Als de doelstellingen niet worden gehaald, zal Mazda de relaties rigoreus verbreken.

Een tweede factor is de entree van buitenlandse financiële instellingen dankzij deregulering van de financiële sector. De banken waren inefficiënte, prehistorische mastodonten en Tokio dreigde daardoor terrein te verliezen op concurrenten als Singapore en Hongkong. Pensioenfondsen verdienden geen geld en Japan zou bij voortschrijdende vergrijzing in grote problemen komen. Dankzij de drie jaar terug afgekondigde `Big Bang' heeft er nu een grote selectie plaats. Drie grote en een reeks kleine banken zijn failliet, de overblijvers fuseren en richten bijvoorbeeld met buitenlandse instellingen investeringsfondsen op die ineens grote aandacht besteden aan de winstgevendheid van hun beleggingen. Termen als marktgericht denken, efficiënt gebruik van kapitaal of de bij investeerders geliefde winst per aandeel klinken plotseling op uit de mond van bestuurders.

Ook de Fair Trade Commission lijkt plotseling uit een lange winterslaap te zijn opgestaan met een ongekende reeks onderzoeken naar illegale kartels de afgelopen maanden. Dit blijft echter een druppel op een gloeiende plaat, want critici stellen dat meer dan 90 procent van de overheidsaanbestedingen via kartels wordt verdeeld.

Het herstel van winstgevendheid gaat gepaard met forse afslanking. Met name personeelskosten gaan voor de bijl. Omdat Renault tegenwoordig de scepter zwaait bij Nissan kreeg de aankondiging van fabriekssluitingen en personeelsreductie bij dat bedrijf deze herfst veel aandacht. Zelfs premier Obuchi voelde zich gedwongen over deze ontwikkeling zijn zorgen te uiten. Maar verspreid over meerdere jaren hebben vergelijkbare, of zelfs grotere personeelsreducties stilletjes ook plaats bij andere oude vertrouwde namen uit de Japanse industrie. Elektronicagiganten Hitachi en NEC bijvoorbeeld verminderen het personeel met respectievelijk 14 en 10 procent, Japan Airlines met 10 procent, telecommunicatiegigant NTT met 16 procent (21.000 man weg, exact hetzelfde aantal als bij Nissan), scheeps- en machinebouwers Mitsubishi en Kawasaki Heavy Industries respectievelijk met 14 en 11 procent, olieconcern Idemitsu zelfs met 24 procent. De golf van fusies in de financiële industrie brengt ook daar een vermindering van personeel.

Zowel binnen industriële sectoren als tussen sectoren onderling is er een tweedeling ontstaan tussen winnaars en verliezers. Toyota en Honda doen het goed, Nissan en Mazda moesten de hulp van buitenstaanders inroepen en de toekomst van Mitsubishi is een vraagteken.

Bij bedrijven die geheel van de binnenlandse vraag afhankelijk zijn is er weinig winstherstel. Want stagnerende consumptie en kapitaalinvesteringen, eigenlijk vrijwel de gehele economie, blijven voorlopig het zorgenkind van de economische planners in de regering. Aandelen van bedrijven in de bouw en in de voedsel- en transportindustrie zijn ongewild in de kleine beurshausse van de afgelopen maanden.

De aannemerij kent de grootste problemen. Puur afhankelijk van binnenlandse vraag lijdt deze sector het sterkst onder de herstructureringen van andere bedrijven. Nieuwe fabrieken worden niet gebouwd en werknemers hebben geen geld voor betere woningen. Hoe groot de stimuleringspakketten vol publieke werken van de overheid ook zijn, zij kunnen niet de volledige bouwindustrie op de schouders te nemen.

,,Over vijf jaar zijn investeringen in de bouw nog maar tweederde van het huidige niveau", meent zelfs analist Atsushi Takagi van Morgan Stanley. Ondanks stimuleringsmaatregelen zijn op het ogenblik de orderportefeuilles van de meeste grote bouwbedrijven al 10 tot 20 procent dunner dan een jaar terug. Deze ontwikkeling lijkt zich voort te zetten. Met 10 procent van de beroepsbevolking werkzaam in deze sector zal dit ook verder effect op werkloosheid en de algehele economische situatie hebben.

Van de 17 grote banken verwachten er 15 weer winst bij sluiting van de boeken in maart komend jaar. Een opvallende verbetering, want de meeste hebben drie jaar lang doorlopend verlies geleden, maar dit wil niet zeggen dat de banken er al zijn. De drie grote Japanse fusiebanken-in-oprichting hebben een rendement op eigen vermogen van slechts zo'n 3 procent, terwijl dit bij buitenlandse banken rond de 10, soms zelfs 15 procent ligt. Een deel van de winst bij banken komt uit verkoop van lang vastgehouden aandelen van gelieerde bedrijven uit de zogenoemde `keiretsu', bedrijfsketens als bijvoorbeeld Sumitomo, Mitsui en Mitsubishi.

Dit lijkt op een uiteenvallen van deze groepen te duiden en op een grotere waarde aan economisch resultaat dan aan het ondersteunen van oude relaties. Een signaal in deze richting geeft ook de aangekondigde fusie van de Sumitomo Bank en Sakura Bank, een fusie over keiretsu-grenzen heen, want Sakura is de bank van de Mitsui-groep.

Probleem bij de banken blijven de `slechte leningen', ook al ligt de oorsprong van dit probleem inmiddels tien jaar terug. Wegens voortgaande daling van onroerendgoedprijzen en faillissementen in de voortsukkelende economie hebben de banken hun afschrijvingen voor dit jaar moeten verdubbelen ten opzichte van de eerdere verwachting.

Een eventuele terugval van de economie, als bijvoorbeeld overheidsstimuleringen weer afnemen zonder het gewenste `golfslag-effect' te sorteren op andere sectoren, kan de banken opnieuw in problemen brengen.