Op het verkeerde Bataafse spoor

Als vliegen op de stroop schoten de omstanders toe, toen een zekere Willem Arnolds in 1622, in zijn huis vlakbij de Nijmeegse Valkhofburcht, een beker vol zilveren Romeinse munten vond in de regenbak die hij aan het graven was. De beker brak en `gravers, bouwlieden en toeschouwers' vlogen erop af om zich meester te maken van de munten. Met nauwelijks verholen spijt over het verspreid raken van de vondst beschreef de zeventiende-eeuwse Nijmeegse geleerde Johannes Smetius dit voorval in zijn boek Oppidum Batavorum, seu Noviomagum (1645). De anekdote illustreert hoe Smetius zijn tijd vooruit was in de waardering van antieke bodemvondsten, die hij niet in de eerste plaats beschouwde als aardige voorwerpen ter opluistering van een kunst- en rariteitenkabinet, maar veeleer als documenten om het wetenschappelijk discours kracht bij te zetten. In Smetius' boek, dat nu in een uitvoerig ingeleide en geannoteerde vertaling als Nijmegen, stad der Bataven is uitgegeven, zijn het vooral archeologische vondsten die de centrale these onderbouwen. Met groot zelfvertrouwen vermeldt de auteur zijn stelling in de ondertitel: `dit werk, in één boek, toont aan dat de door Cornelius Tacitus in Historiae v. 19 vermelde ``stad der Bataven' Nijmegen is'.

De Bataven stonden in de zeventiende eeuw opvallend in de belangstelling. In het jaar 69 waren ze in opstand gekomen tegen de Romeinse overheersers. Juist in de tijd van de Tachtigjarige Oorlog, toen de Nederlanden het hadden opgenomen tegen Spanje, nam men een voorbeeld aan de Bataven. Dat wordt mooi geïllustreerd door een van de werken die te zien zijn op een kleine tentoonstelling in het prentenkabinet van het nieuwe Museum Het Valkhof in Nijmegen. In een gravure op de titelpagina van Historiae Gelricae van Johannes Pontanus, blijkt de Bataafse leider Claudius (eigenlijk Julius) Civilis op één lijn te zijn gesteld met Willem van Oranje. Nederlandse geschiedschrijvers was er dan ook veel aan gelegen te achterhalen waar precies de stad had gelegen die de Romeinse historicus Tacitus de `stad der Bataven' had genoemd.

Tacitus vermeldt dat de Bataven zich, nadat ze hun stad hadden moeten onvluchten, hadden teruggetrokken op een eiland. De beschrijving doet denken aan de Betuwe, die destijds inderdaad als een eiland omsloten was door de Waal en de Rijn. De stad van de Bataven zou dan moeten worden geïdentificeerd met Nijmegen, dat aan de rand van dat gebied ligt. Maar zo eenvoudig lag het niet: andere historici en geleerden meenden de Batavenstad te kunnen plaatsen in Holland. Leiden (Lugduni Batavorum) scoorde bijvoorbeeld hoog op de waarschijnlijkheidsmeter, maar ook met het Betuwse Batenburg waarvan de naam afgeleid zou kunnen zijn van `Batavenburg', moest rekening worden gehouden.

De predikant Smetius, in 1590 in Aken geboren als John Smith, was ervan overtuigd dat Tacitus het over Nijmegen had gehad, de stad waar hij van 1618 tot zijn dood in 1651 woonde. Hij baseerde zich daarbij grotendeels op bodemvondsten. Veel van dat materiaal bezat hij zelf. De collectie die Smetius en zijn zoon Johannes jr. (1634-1704) bijeen hebben gebracht, was met zo'n tienduizend munten en duizenden andere voorwerpen een van de veelzijdigste van haar tijd. Ze viel in 1703 uiteen, toen Johannes jr. haar te koop aanbood. Het Smetiuskabinet werd bezocht door belangstellenden en geleerden, die hun naam hebben geschreven in het gastenboek dat ook op de tentoonstelling te zien is. Een van hen, Constantijn Huygens, schreef ook een lofdicht op Smetius' boek, waaruit het belang blijkt van diens gebruik van archeologisch materiaal in de reconstructie van de ligging van de Batavenstad: `[..] sprekend zijn / munt, brokken puin, lamp, schrijfmateriaal; zwijgend / verklaart marmer, met Smithius: dit is de plek'.

Blijkbaar kon Smetius zijn tijdgenoten overtuigen in zijn archeologische analyses. Maar zijn boek bevat meer. Aan de hand van historisch onderzoek beoogt het aan te tonen dat de sporen van het roemruchte volk in het Nijmegen van zijn eigen tijd nog zichtbaar waren, zoals in het rechtssysteem. Ook de gebruiken van de Bataven zouden zich in een ononderbroken traditie tot in de tegenwoordige tijd hebben voortgezet. Smetius ziet zelfs overeenkomsten tussen het heldhaftig optreden van Bataafse vrouwen in oorlogssituaties en een belegering uit het recente verleden, toen `onze krijgshaftige vrouwen in wedijver met elkaar' ten strijde trokken. De auteur preciseert: `Eén, vrouw Van Wanray, gebruikte een koperen ketel als trommel, anderen – je staat er versteld van – sleepten in hun rokken stukken steen aan om de vijand af te slaan'. Dergelijke passages maken Smetius een verrassend leesbaar en onderhoudend auteur, wiens elegante Latijn in deze editie levendig is vertaald.

Het zwakke punt in Smetius' verhandeling schuilt erin dat alle voorwerpen die hij gebruikt om zijn stelling te staven Romeins blijken te zijn. Het spreekt Smetius' veronderstelling niet eens tegen: tegenwoordig menen archeologen de stad der Bataven inderdaad in of bij Nijmegen te kunnen lokaliseren – maar dan als Romeinse nederzetting, voornamelijk bewoond door veteranen en kolonisten. Het blijkt gebruikelijk te zijn geweest zo'n oppidum te noemen naar de inheemse stam die er leefde. Maar Smetius geloofde rotsvast in zijn eigen cirkelredeneringen op basis van `Bataafse' resten. Een geschilderd portret toont hem met in zijn hand de zogeheten `gemma smetiana'. De steen is versierd met een anker en twee vissen, christelijke symbolen die erop duiden dat dat geloof al vroeg zijn intrede had gedaan in Nijmegen. In zijn beschrijving daarvan roept Smetius de associatie op tussen verondersteld christelijke Bataven, die net zo sober in hun geloof zouden zijn geweest als de zeventiende-eeuwse calvinisten die de predikant-auteur zelf onder zijn hoede had. Daarmee is Oppidum Batavorum, hoezeer het ook de schijn van objectiviteit wil wekken, toch een typisch product van de zeventiende-eeuwse ideologische belangstelling voor de illustere Bataven.

De tentoonstelling gewijd aan Smetius, zijn verzameling en het Nijmegen van zijn tijd, is tot en met 2 januari te zien in het prentenkabinet van Museum Het Valkhof te Nijmegen.

Johannes Smetius: Nijmegen, stad der Bataven. SUN/Museum Het Valkhof, 2 delen in cassette: Inleiding (Sandra Langereis): 141 blz.; Vertaling (A.A.R. Bastiaensen, S. Langereis, L.G.J.M. Nellissen):

356 blz. ƒ29,50 (speciale prijs tot 2/1, daarna ƒ49,50)