Op een kunstwerk moet je verliefd zijn

Een museumdirecteur kan geen kunst kopen waar hij niet door geraakt wordt, vindt Edy de Wilde, oud-directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam.Een selectie uit zijn aankopen wordt geëxposeerd.

De faam van Edy de Wilde (1919), voormalig directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam en het Van Abbemuseum in Eindhoven, berust in de eerste plaats op de collecties 20ste-eeuwse schilderkunst die hij voor deze musea heeft bijeengebracht. In het Van Abbemuseum is nu de tentoonstelling De keuze van Edy de Wilde, Aanwinsten uit de periode 1946-1963 te zien. Het is de vierde en laatste in een reeks waarin vier museumdirecteuren van het Van Abbe een selectie uit hun aankopen laten zien.

Sinds het afscheid van De Wilde als directeur van het Stedelijk, in 1984, is er het een en ander veranderd in museumland. De musea kampen met het probleem van overvolle depots. De grens aan de groei is bereikt, zo zeggen zij, en ze zoeken naar manieren om hun collecties op te schonen, bijvoorbeeld door middel van langdurige bruiklenen.

De Wilde: ,,Ik wil mij als gepensioneerd man niet in een actueel debat mengen. Maar het is mijn persoonlijke mening dat ik, als ik kijk naar de grote musea, het betreur dat de belangrijke werken die de identiteit van het museum uitmaken daar vaak niet te zien zijn, omdat ze uitgeleend zijn aan Gent of New York of waar ook. Je moet je spécialité de la maison niet uitlenen. Een museum is op zichzelf niks; een museum ontleent zijn identiteit aan de collectie.

,,Als ik in het Museum of Modern Art of het Guggenheim in New York ben en de Picasso's en Dubuffets zijn daar niet, dan ben ik des duivels. Zelf heb ik als directeur van het Stedelijk een keer de Malevitsj-collectie uitgeleend aan het Guggenheim. Het was deel van een overeenkomst waarbij zij hedendaagse Nederlandse kunstenaars lieten zien, zoals Jan Schoonhoven, Jan Roeland en Peter Struycken. Plotseling stond er een Amerikaan voor mijn bureau, hij was regelrecht langs mijn secretaresse gestormd. Hij was in Amsterdam om Malevitsj te zien en hij was woedend. Die man had gelijk. Cobra, Malevitsj, De Kooning, Matisse dát is het Stedelijk en dat hoort er zien te zijn.''

Beroemd was onder het directoraat van De Wilde de `Erezaal', bovenaan de trap. Hier hingen schilderijen van onder anderen Barnett Newman, Ellsworth Kelly en Morris Louis.

De Wilde: ,,Ik heb er altijd voor gezorgd dat de helft van het gebouw collectie was. Ik heb niet de indruk dat het bezoek daar onder leed, want er kwamen toen ook al altijd tegen de 500.000 bezoekers per jaar.''

Kan een museum dus nooit een belangrijk werk uitlenen?

,,Ik vind het een goed uitgangspunt dat je alleen uit moet lenen voor een belangrijke retrospectieve of een belangrijke solotentoonstelling, maar niet voor groepstentoonstellingen. Deze stelregel betekent dat je een verplichting hebt jegens de kunstenaar.''

De Wilde, die volgende maand tachtig wordt, woont met zijn vrouw aan de rand van Amsterdam. Hij vervult verschillende advies- en bestuursfuncties in binnen- en buitenland, zoals bij het museum van moderne kunst Carré d'Art in Nîmes en de Greenwich Collection in New York, een stichting die werk van kunstenaars uit New York verzamelt en uitleent en die kunstenaarsinitiatieven ondersteunt. De Wilde is sinds de oprichting nauw betrokken bij het beleid van de Stichting voor hedendaagse kunst De Pont in Tilburg.

Op 26-jarige leeftijd werd De Wilde directeur van het Van Abbemuseum, waar hij `aan het hoofd stond van een portier – dat was het voltallige personeel'. Pas een paar jaar daarna, in 1948, kwam er een aankoopbudget van de gemeente van f5.000,-, dat spoedig verhoogd werd tot f25.000,-. Tussen 1936, toen het museum openging en Henri van Abbe een schenking deed van 26 stukken uit zijn verzameling van moderne Nederlandse kunst – een deel daarvan is nu in het Van Abbemuseum aan de Vonderweg te zien – en 1948 is er geen enkel werk aan de collectie toegevoegd. Niemand wist wat er met dit museum moest gebeuren. In 1950 kocht De Wilde een Compositie in zwart en wit aan van Mondriaan uit 1930, voor f6.700,-, samen met werk van onder anderen Bart van der Leck en Charley Toorop.

In 1951 volgde de aankoop van een kubistisch werk van Marc Chagall, Hommage à Apollinaire (1912). De Wilde: ,,De Chagall is de grote klap geweest. In één keer bestond het Van Abbe voor de internationale kunstwereld. Toen was het vanzelfsprekend dat er ook een Picasso bij zou komen, een werk uit de periode van voor 1914. Rondom de Chagall moest een context gecreëerd worden waarin de kubistische gedachte van ruimte en tijd zichtbaar werd. De Chagall gaf het niveau aan voor de toekomstige collectie, het werd een ijkpunt.''

De Wilde wist de gemeente ervan te overtuigen dat het verzamelgebied van het Van Abbe de 20ste-eeuwse kunst zou zijn, waarbij hij zich zou richten op enkele pioniers uit de eerste helft van de eeuw en verder op de eigentijdse kunst.

In 1953 verwierf De Wilde een kubistisch landschap, La Roche Guyon (1909), van Braque, en een Léger, en in 1954 Picasso's kubistische portret Femme en vert (1909). Ook concentreerde hij zich op het expressionisme, een stroming die in andere Nederlandse musea slecht vertegenwoordigd was, met schilderijen van onder anderen Kandinsky, Beckmann en Kokoschka, en dichter bij huis, Constant Permeke en Herman Kruyder. Wat de eigentijdse kunst betreft was Parijs het centrum, met schilders als Bazaine, Bissière en Dubuffet, die tot op de dag van vandaag tot zijn favorieten behoren.

Ooit was De Wilde zelf actief als schilder. ,,Ik wilde naar de Rijksakademie, maar mijn vader stelde als voorwaarde dat ik eerst een `serieuze studie' zou doen. Ik koos de kortste studie die er was, rechten, zodat ik daarna kon schilderen. Na de oorlog werkte ik bij Nederlands Kunstbezit, ik had daar de zorg voor de kunstwerken die door de Duitsers geroofd waren uit Nederlands bezit en weer waren teruggehaald. Vervolgens kwam ik naar het Van Abbe. Ik behield lange tijd een atelier, eerst in Amsterdam en later in Eindhoven; maar als je wel eens met een Picasso of een Braque onder je arm loopt heb je niet het idee dat er een Picasso aan je verloren is – en dat is maar goed ook.''

Er is u vaak verweten dat u in uw beleid eenzijdig de nadruk legde op de schilderkunst. U heeft bijvoorbeeld bijna geen beeldhouwkunst verzameld.

,,Het is nu eenmaal zo dat je kunst niet buiten je eigen emotionaliteit om kunt benaderen. Als het niet van binnenuit veroverd is kun je het mijns inziens wel vergeten, welke kennis of redenering je er ook tegenoverstelt. Het is net zoiets als verliefdheid. Maar het is waar: als ik nu nog directeur was zou ik het met zoiets als nieuwe media ontzettend moeilijk hebben. Daar heb je dan een conservator voor.''

De Wilde heeft zelden werk aangekocht van kunstenaars die hij niet persoonlijk kende, met uitzondering van Matisse, Mondriaan en Robert Delaunay. Hij vindt een band met de kunstenaar heel belangrijk voor een goed begrip van diens werk. Hij heeft, zo zegt hij, een fantastische tijd gehad, omdat hij al die mensen heeft kunnen ontmoeten. De Kooning was bijvoorbeeld een zeer goede vriend. De schilder schonk het museum – naast de zeven schilderijen die De Wilde had aangekocht – een schilderij, 13 sculpturen, 3 tekeningen en al zijn litho's.

Wat Parijs was voor De Wilde tijdens de periode Van Abbe, werd New York tijdens zijn periode Stedelijk Museum. Willem de Kooning, Arshile Gorky, Barnett Newman, Jasper Johns, Robert Rauschenberg, Roy Lichtenstein, Robert Ryman, Ellsworth Kelly, De Wilde haalde hen allemaal naar Amsterdam. Maar ook verwierf hij een laat werk van Picasso, Femme nue devant le jardin (1956), en een groot, laat werk van Matisse.

De Wilde: ,,Matisse is voor mij de grote man. Ik heb één prachtig werk van hem gekocht, La perruche et la sirène uit 1952. Het bestaat uit 150 uitgeknipte vormen van plantbladeren, er is er niet één aan een ander gelijk. Daarmee is Matisse verder doorgedrongen in de natuur dan de meeste schilders op een picturale manier kunnen doen. Hier is vorm kleur geworden, en andersom; waar Cézanne over begonnen was te denken, dat heeft Matisse gerealiseerd. Maar de Matisse vergt vanwege zijn grote formaat een hele zaal en is daarom bijna nooit meer in het Stedelijk te zien.''

De Wilde is niet onverdeeld positief over het museum van nu: ,,Tegenwoordig gaat alles over geld. Er wordt steeds gezegd dat er geen geld is om belangrijke overzichtstentoonstellingen te organiseren, of om tentoonstellingen over te nemen uit het buitenland. Dat is onzin. Als je iets graag wilt, dan doe je dat, en dan zorg je dat het geld er komt, bijvoorbeeld door een sponsor te zoeken.

,,Ik begrijp heel goed dat voor musea geld van belang is. Voor kunst zelf niet, want kunst heeft met geld niets te maken. Ik wil best bekennen dat ik met sponsoring begonnen ben. Er is niets mis met sponsoring van tijdelijke projecten, en dan mag de naam er ook bij vermeld worden. Structurele sponsoring is niet acceptabel, dan krijgen de sponsors te veel invloed op het beleid. Maar het voortdurende geklaag van musea over te weinig geld vind ik niet gerechtvaardigd. In het Europese buitenland zijn er maar enkele musea die er beter voor staan dan bijvoorbeeld het Stedelijk: de Tate Gallery, het Centre Pompidou en het Ludwigmuseum in Keulen, en misschien het museum in Wolfsburg.

,,Het is belangrijk dat musea loyaal zijn aan de kunstenaars, en hen op de voet volgen. Museumdirecteuren en conservatoren moeten naar de ateliers. Het directe contact met de materie, met het ontstaan van het werk, dat is het begin van waaruit een collectie opgebouwd moet worden.''

De keuze van Edy de Wilde, Aanwinsten uit de periode 1946-1963. Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, Eindhoven. T/m 9 jan 2000. Di-zo 11-17 uur.

Als ik in New York ben en de Picasso's zijn daar niet, dan ben ik des duivels