Oorlogsgetroffenen raken verstrikt in regeltjes

Een groot aantal psychiaters en organisaties vindt dat het oorlogsslachtoffers veel te moeilijk wordt gemaakt om erkend te worden.

Is het lastig, om erkend te worden als oorlogsgetroffene? Behoorlijk. Eerst moeten traumatiserende ervaringen worden aangetoond: dat je als verzetsman mishandeld bent, dat je getuige bent geweest van een executie, dat je ouders door de oorlog zo verknipt waren dat jij daar als kind last van had. Maar dan ben je er nog niet.

Er moet ook worden aangetoond dat klachten – psychisch of lichamelijk – een direct gevolg zijn van de oorlog. Het causale verband. Als dat bewezen kan worden, is erkenning als oorlogsgetroffene mogelijk. En misschien kan je dan een uitkering krijgen, of vergoedingen voor hulp in de huishouding. Maar daarvoor moet je wel eerst aantonen dat er sprake is van een `verminderd verdienvermogen'.

Volgens het Medisch Juridisch Comité Oorlogsgetroffenen (MJCO), 127 psychiaters en artsen en 37 organisaties is het allemaal te moeilijk. Terwijl de politiek braaf spreekt van het `inlossen van een ereschuld', is het beleid bepaald niet ruimhartig, stellen zij in een verklaring. Oorlogsgetroffenen lopen uitkeringen mis door allerlei regeltjes en bureaucratie.

Jan Freeken, maatschappelijk werker voor burgerslachtoffers: ,,Een cliënt werd na een razzia gedwongen naar executies te kijken op de Weteringsschans, maar hij kan niet met behulp van getuigen aantonen dat hij daar echt bij was.'' De Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), de instantie die moet beslissen, erkende de man niet als oorlogsgetroffene, ook al heeft hij volgens psychiaters een ernstig trauma. Freeken: ,,Zo gaat het vaak. Geen bewijs, dan geen uitkering. Terwijl de hulpverleners wel een verband zien met de oorlog.''

Verschillende betrokken organisaties tekenden de verklaring niet, maar herkennen de klachten en vinden dat die hout snijden.

Pieter Bosman, directeur van de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen: ,,Ik sta er helemaal achter.'' Hans Vuijsje, directeur van Joods Maatschappelijk Werk: ,,Het geld is belangrijk, het beleid is niet ruimhartig. Slachtoffers lopen tegen allerlei juridische bewijslast aan.''

Stel: je hebt gewrichtsklachten, omdat je maanden op een koude vloer hebt gelegen. Als je daar nu mee komt, zonder bewijs dat de klachten zich al kort na de oorlog openbaarden, zal de Pensioen- en Uitkeringsraad zeggen dat er `geen causaal verband' is. En als je wél naar de dokter bent geweest, maar die dossiers zijn inmiddels vernietigd, loop je ook vergoedingen mis. Pyschologische klachten openbaren zich meestal later, maar ook daar hanteert de PUR de regel: je moet met orginele dossiers aantonen dat de klachten al langer bestaan. Zo niet, dan beginnen de klachten officieel op het moment van aanmelding bij de PUR.

Judith van Praag werd kort na de oorlog geboren. Omdat haar moeder in een psychiatrische inrichting zat, groeide ze deels op in een weeshuis voor joodse kinderen. ,,Een allegaartje van ellende: kampverhalen, verloren ouders.'' Daarna ging ze werken in de verpleging, trouwen, kinderen en helpen in de praktijk van haar man.

Midden jaren tachtig kwam een zware terugslag. Ze probeerde het te verdringen. ,,Ik wilde die slachtofferrol niet.'' In 1987 doet ze een zelfmoordpoging en in 1990 vraagt ze toch erkenning als oorlogsgetroffene aan. ,,Een vreselijk belastende, traumatiserende procedure. Ze willen bewijzen, vragen de hele tijd of dingen wel kloppen. Ze kijken of ze je onderuit kunnen halen.''

Ze wordt erkend, maar het begin van de `invalidisering' wordt bepaald op 1987, waardoor haar uitkering laag uitvalt. De reden is dat er `geen objectief bewijs' is dat haar klachten zich eerder openbaarden. De psychiater bij wie ze in de jaren daarvoor kwam, had zijn dossiers vernietigd, zoals gebruikelijk na tien jaar. De psychiater is furieus, schrijft een brief, maar de PUR blijft bij haar standpunt.

Tot vorige maand dienden bijna drieduizend mensen een aanvraag in, een kleine twintig procent meer dan vorig jaar. Van de burgerslachtoffers wordt ongeveer dertig procent uiteindelijk erkend. Bij de vervolgden ligt dat tegenwoordig lager: ruim twintig procent.

De PUR erkent wel dat het ,,heel erg zuur'' is dat mensen soms net buiten de boot vallen. Dat het ,,spijtig en treurig'' is dat tweede-generatie slachtoffers sinds 1994 niet meer in aanmerking komen. En dat er een ,,grijs gebied'' is waarbij bewijs ontbreekt, terwijl de klachten door de oorlog veroorzaakt lijken. A. Teerlink, al twintig jaar bij de PUR: ,,Het is heel moeilijk. Soms kan iemand afgewezen worden op een detail, een zinnetje in een psychiatrisch rapport.''

Mevrouw De Vries werd drie weken na de oorlog geboren. Ze groeide op in een getraumatiseerd, gespannen gezin, vertelt ze. ,,Ik mocht nooit huilen. Dan zei mijn vader: `Jij hebt de oorlog niet meegemaakt'.'' Haar moeder overleed in 1957, haar vader werd in 1973 erkend als oorlogsslachtoffer. Zelf ging ze eind jaren zeventig in therapie. ,,Ik ben gescheiden en moest mijn dochter alleen opvoeden.'' In 1984 stopte ze met werken. ,,Toen kwamen de herinneringen boven.''

De eerste psychiater zei: `Je kan alles wel aan de oorlog ophangen.' Dat stemde niet tot tevredenheid, dus bezocht ze een andere psychiater. ,,Die begreep mijn probleem.'' Ze vroeg erkenning aan als oorlogsslachtoffer. ,,Het gaat mij niet om het geld.'' De erkenning werd geweigerd. Een rapport van een vooraanstaande psychiater hielp niet. Volgens de PUR kon er geen causaal verband worden aangetoond, omdat er `geen gegevens over de behandeling van de vader van voor 1973 beschikbaar zijn'. De Vries: ,,Het lijkt alsof ze gewoon niet meer mensen willen erkennen. Nu ben ik opgehouden met vechten. Het is te belastend.''

De PUR heeft nu eenmaal bewijzen nodig, zegt Teerlink. ,,En dat is moeilijk. Soms spreken psychiaters elkaar tegen. Dan zegt de een `dit ligt aan de oorlog', terwijl de ander zegt `dit komt door een nare echtscheiding'.''

De naam van Judith van Praag is om reden van privacy gefingeerd.