Mevrouw de Eerste Programmeur

Ada Lovelace was een van de eersten die beseften dat een rekenmachine die een rekensom kan uitrekenen in minder tijd dan het opschrijven van die rekensom vergt, gevoed moet worden met een reeks rekensommen die zijn tempo kan bijhouden. Je kunt al die sommen niet vooraf opstellen, want het hangt soms van de uitkomst van een eerdere rekensom af wat de volgende moet worden. In de wiskunde had je al lang voor er rekenmachines waren algoritmes, rekenrecepten, zoals bijvoorbeeld de staartdeling. Voor een rekenmachine die de Engelsman Charles Babbage aan het begin van de negentiende eeuw wilde bouwen schreef Ada Lovelace een `programma', al heette dat toen niet zo, dat de Fibonacci-getallen uitrekende. Ze zette dat programma in een noot bij haar vertaling in 1843 van een Frans artikel van de Italiaanse ingenieur Menabrea over de Analytische Machine van Babbage. Misschien had Babbage dat ook kunnen doen, maar zij deed het, en men noemt haar daarom wel de Eerste Programmeur. Er is nog een programmeertaal (`ADA') naar haar genoemd.

Lady Lovelace was een vrouw die in haar korte leven (1815-1852) opmerkelijk veel dingen deed die een dame in haar tijd niet hoorde te doen. Ze was geïnteresseerd in techniek en wetenschap, en stortte zich, behalve in de rekenmachine, ook in de vliegkunst, de frenologie, de kunstmatige intelligentie, het mesmerisme. Ze had daarbij zowel last als voordeel van haar vrouwzijn, van haar getrouwd-zijn en van haar adelstad. Veel feministen, zoals in Nederland Hannes Meinkema, hebben over haar geschreven.

Ada Lovelace was haar hele leven `de dochter van de dichter Byron'. Toen ze een maand oud was verliet haar moeder met Ada de vader, die zelf drie maanden daarna Engeland verliet. De moeder haatte de vader. De vader en dochter hebben elkaar nooit meer gezien. Byron had de bekendheid van een popster en dat straalde op Ada af. Zij ligt nu naast hem begraven.

Over Byron zijn vier planken met biografieën geschreven. Over Ada schreef Doris Langley Moore in 1977 een mooie biografie, Ada, Countess of Lovelace. In 1985 ontkende Dorothy Stein in Ada, A life and a Legacy het belang van haar computerwerk, maar in 1986 bepleitte Joan Baum het tegendeel in The calculating passion of Ada Byron - die laatste titel lijkt biograaf Benjamin Woolley niet gezien te hebben.

De biografie die Woolley nu over haar heeft gepubliceerd, lijkt hier en daar een parodie op een biografie. Alles, maar dan ook alles, wat hij weet, moeten wij ook weten. Als Ada met haar verloofde een romantisch ritje door Chelsea maakt, moeten wij horen dat een bepaalde boomgroep daar in 1676 door het Apothekersgilde werd geplant. Ook worden we herhaaldelijk in spanning gebracht door aankondigingen als: `Dickens zou ze later onder bijzondere omstandigheden ontmoeten' - hij las voor bij haar sterfbed, of, na een uiteenzetting over hoe stationsklokken de kerkklokken verdrijven: `Ada zal later een afspraak onder een stationsklok maken.' Zelfs krijgen wij het uitvoerig te horen als de schrijver iets niet weet, zoals wie een zekere T. is. Er passeren diverse heren met een T de revue, zonder dat het je eigenlijk iets kan schelen wie de echte T. is.

Het verhaal van Ada's leven is echter zo bizar, grimmig, hilarisch en achttiende-eeuws (het is begin negentiende eeuw) met gemene moeders, incestueuze vaders, valse vrienden, geheime verhoudingen, oplichters, genieën, charlatans, heiligen, dieven, erfenissen, uitvindingen, dat je de biografie ademloos leest. Het zou een beter boek zijn als Dickens het had geschreven, maar die zou nooit zoveel onwaarschijnlijkheden in één boek durven storten. Het is opmerkelijk hoe verlekkerd al in het begin van de vorige eeuw de kranten het verhaal van het korte en bittere huwelijk van Byron en Ada's moeder volgden. Disraëli schreef er een roman over en aan Harriet Beecher Stowe danken we de verdenking dat het nichtje Medora misschien een kind is dat Byron bij zijn halfzusje maakte.

Nog afgezien van haar beroemde vader, was Ada kennelijk ook een aantrekkelijke vrouw, die steeds weer in geheimzinnige relaties stond met intelligente jongemannen. Woolley heeft een gezonde belangstelling voor geld en weet te melden dat Ada bij haar huwelijk een bruidsschat van 30.000 pond meenam, die haar echtgenoot geheel inpikte, terwijl hij haar per jaar een speldengeld van 300 pond gaf. Ada had meer nodig. Ze raakte verslaafd aan opium en cannabis. Ze ging op paarden wedden, raakte diep in de schulden en liet haar juwelen `stelen', waarbij een serie nagemaakte sieraden dat moest verbergen. Haar moeder, die het hele boek door de baas probeert te spelen, merkte dat, liet de juwelen bij de juwelier terughalen, waarna Ada de hele operatie nog een keer uitvoerde.

Bladzijden lang is het duidelijk dat de auteur niet anders doet dan brieven van en aan Ada parafraseren. Die zijn sinds 1992 te lezen in de uitgave van Betty Toole. Jammer voor de auteur is dat onlangs enkele nieuwe brieven zijn ontdekt van de ouders van Ada, plus drie brieven van Ada aan Babbage (Times Literary Supplement, 8 oktober 1999). Opmerkelijk daarbij is een brief van Lady Byron aan Ada, waarin zij, over liefde sprekend, `Vaders versregels' aanhaalt, terwijl Woolley toch de indruk wekt dat de kwaaie mama nooit met haar dochter over de foute papa sprak.

Als Ada Lovelace alleen maar de dochter was geweest die Byron nooit gekend heeft, dan zou zij slechts voortleven als voetnoot in de boeken over de dichter. Woolley vergelijkt Byrons begrafenis met die van prinses Diana, maar het verschil is natuurlijk dat twee eeuwen nadat Byron zijn poëzie schreef, die nog steeds gelezen wordt.

Als Ada Lovelace alleen maar de schrijfster was geweest van een voetnoot bij een prehistorisch programmeergeschrift, dan zou ze hoogstens in geschiedenisboeken over computers voortbestaan. Turing haalt haar aan in zijn beroemde artikel `Kunnen machines denken?' met de zin: `De machine van Babbage doet niets uit zichzelf. Hij kan de dingen doen waarvan zij in staat zijn hem bevelen ze te doen.'

Als Lady Lovelace alleen maar een opwindend en excentriek vrouwenleven in de eerste helft van de negentiende eeuw te bieden had, dan lijkt mij de kans klein dat het feminisme haar als heldin had genomen. Op grond van deze biografie kan men haar namelijk tegelijk zien als eerste onafhankelijke vrouw en als zielig voorbeeld van hoe in haar tijd een vrouw werd gekgemaakt.

Nu zij in haar persoon die drie zaken, die weinig met elkaar te maken hebben, combineert, zal er elke halve eeuw een biografie over haar verschijnen.

Benjamin Woolley: The Bride of Science, Macmillan, 416 blz. ƒ74,05