Meifeest

Het echte Pompeï van de 20ste eeuw heet Pripjat, een jonge stad van zo'n 50.000 inwoners, vlakbij de geëxplodeerde reactor. Sinds 26 april 1986, 4 uur 's middags, is alles er verlaten. In de sneeuw is geen voetstap te bekennen.

Ik word rondgereden in een speciaal busje. Het is nog volop Sovjet-tijd: het plein met hamers en sikkels, de strakke gebouwen, de leuzen: `De partij van Lenin leidt ons naar de triomf van het communisme'. Even verder staat een kleine kermis klaar voor de eerste mei: een verroest reuzenrad, verweerde botsautootjes, lappen tentzeil op de grond. In het hotel groeit uit de vloer een kleine boom.

Een kindercrèche. In de kasten staan de peuterschoentjes zoals ze ruim 13 jaar geleden werden achtergelaten, keurig in het gelid. Op de vloer twee rode blikken speelgoedvrachtauto's, een doos blokken, een winkeltje, twee poppen met kalk in het haar, een ere-plankje met de mooiste kleipoppetjes van de week. In de gang hopen opgejaagde sneeuw. Op de muur een halfafgemaakte tekening, ook voor het meifeest.

Tegen de avond brengen ze me naar de oude Nicolaj Tsikolovits, die met z'n arme boerenbedoeninkje koppig in de zone is blijven wonen. Zijn vrouw Anastasia Ivanova klimt haastig van de kachel als we binnenkomen, het houtvuur wordt opgerakeld, er verschijnen glazen zelfgestookte wodka, eieren, worst, augurken en ingemaakte kersen, allemaal eigen teelt, alles voor de gasten. Midden in de radioactiviteit blijken Philemon en Baucis eeuwig voort te leven. En ik weet zeker dat ik ze ooit zal terugzien, als twee ineengegroeide bomen, ruisend in de wind.