Koninklijke borrelpraat?

`De pers liegt.' De eerste, en tot voor kort enige, keer dat ik zo'n bewering hoorde uiten, was in het najaar van 1960. Plaats: ergens in Oisterwijk. Gelegenheid: een conferentie over China. Aanleiding: geruchten in de pers dat er in China hongersnood heerste als gevolg van de mislukking van Mao's `grote sprong voorwaarts'.

Wie was het die die beschuldiging aan het adres van de pers lanceerde? Oud-minister-president W. Schermerhorn, die toen weer teruggekeerd was tot het vak waarin hij excelleerde: luchtkartering. Schermerhorn maakte die opmerking min of meer bij wijze van grap. Niettemin vond ik die generalisering kwalijk. Later bleek trouwens dat die geruchten op waarheid berustten.

Koningin Beatrix heeft haar opmerkingen die zij zaterdag over de pers, en tegenover de pers, maakte zeker niet als grap bedoeld. Bovendien specificeerde zij het feit dat haar aanleiding gaf tot de opmerking: ,,De leugen regeert'', niet nader dan met een verwijzing naar wat iemand uit haar kennissenkring was overkomen. Komend uit de mond van een ander, zou deze opmerking als borrelpraat gekwalificeerd en afgedaan worden.

Maar van het staatshoofd wordt geen borrelpraat verwacht. Zij is er dan ook zelf kennelijk van geschrokken, want de directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst haastte zich te zeggen dat zij ,,daarmee uitdrukkelijk niet de gehele journalistiek'' bedoeld had. Nou, als je van iets zegt dat het regeert, dan beslaat die constatering een heel wat wijder terrein dan één specifiek geval.

De pers is wel vaker onderwerp van veralgemening. Maar als één bankier fraudeert, dan wordt toch ook niet het hele bankwezen van fraude beschuldigd (behalve door socialisten van de oude stempel, die er niet meer zijn)? Ook minder oorbare handelingen van een lid van een koninklijk huis worden de andere leden toch ook niet aangewreven? Het tegendeel is eerder waar, zoals we in 1976 bij de Lockheedaffaire hebben gezien. Waarom is het dan wel de pers die liegt, sensatiebelust is enzovoort? Zoveel kranten, zoveel stijlen.

Was het vroeger allemaal zoveel beter, zoals de koningin meent? Schrijver dezes zit sinds 1945 in de journalistiek, en hij moet zeggen dat ze, vooral de laatste twintig à dertig jaar, veel professioneler geworden is. Vroeger waren journalisten veelal, op z'n best, min of meer erudiete dilettanten. Er zijn tegenwoordig misschien wel meer spelfouten en andere slordigheden en het historische geheugen is misschien korter, hoewel ik zelfs deze bewering wel eens wetenschappelijk onderbouwd zou willen zien.

Ja, de journalistiek was vroeger wel onderdaniger tegenover de gezagsdragers of – beter gezegd – maakte meer deel uit van het establishment (maar dan wel behorend tot de lagere regionen erin). De zaak-Greet Hofmans moest in 1956 door de buitenlandse pers aan het licht gebracht worden, en dan nog duurde het een tijdje voordat de Nederlandse burger er, via zijn krant, lucht van kreeg.

Maar niettemin is het moeilijk voorstelbaar dat zelfs toen, zoals de koningin zei, het paleis maar even hoefde te klagen over `verkeerde' berichtgeving, of de hoofdredacteuren stelden desgewenst een halve pagina ter beschikking voor een rechtzetting. Een rechtzetting plaatsen is, indien nodig, altijd correct beleid, maar een halve pagina? Het zou prettig zijn geweest als de koningin voorbeelden had gegeven.

Ook als zij over de hele linie gelijk zou hebben gehad met haar verwijten aan de pers, dan nog is het de vraag of zij er verstandig aan heeft gedaan lucht te geven aan haar emoties. Het tekent in elk geval de spagaat waarin de monarchie in een moderne democratie zich bevindt: enerzijds is zij gediend met publiciteit en zoekt zij die soms zelfs; anderzijds haat zij die.

Misschien zou een andere persoonlijkheid dan koningin Beatrix er beter mee kunnen omgaan. Al als prinses kon zij met haar opmerkingen mensen bevriezen: zo een Kamerlid van de toenmalige Katholieke Volkspartij, tegen wie zij opmerkte dat zij niet kon begrijpen dat iemand rooms-katholiek kon zijn; of een Britse ambassadeur die moest horen dat zijn land een tweederangsmogendheid was geworden.

Het zijn eigenschappen die de toenmalige fractieleider van de PvdA in de Tweede Kamer, G.M. Nederhorst, zich medio jaren '60 in een brief (die natuurlijk uitlekte) deden afvragen of zij wel de juiste figuur was om haar moeder te zijner tijd op te volgen.

Toen die tijd eenmaal daar was, bleek die twijfel spoedig ongegrond. Weliswaar had zij een geheel andere stijl dan haar moeder, maar haar deskundigheid, werkkracht, intelligentie en managereigenschappen dwongen al gauw ieders bewondering af. In veel opzichten was haar regime een verademing na de dierbare, maar soms ook wel grillige koppigheid van Juliana.

Dat zij zaterdag voor het eerst uit haar rol is gevallen – ,,Het raakt mij en het emotioneert mij. Dat merkt u wel'' – is menselijk en daarom toch wel weer sympathiek. Maar constitutioneel vorst te zijn is nu eenmaal een bijna onmenselijke opdracht, waarvan de lusten niet opwegen tegen de lasten. Dat moet ook verdisconteerd worden in het eindoordeel.