Gilbert Ryle, The Concept of Mind, 1949

In 1931 verscheen een wijsgerig artikel `Systematically misleading expressions', waarin Gilbert Ryle betoogde dat tal van uitdrukkingen uit de omgangstaal ons op het verkeerde been zetten. De zin `Meneer Pickwick is verzonnen' zou ons op de gedachte kunnen brengen dat ergens op aarde ene meneer Pickwick rondwandelt die helaas de eigenschap heeft dat hij verzonnen is. Het is de taak van de filosoof zulke misverstanden te voorkomen, die het gevolg zijn van ontsporingen van ons taalgebruik.

Een belangrijke reden waarom deze taakopvatting van de wijsbegeerte na de oorlog in Oxford doorbrak was de benoeming van Ryle tot hoogleraar in de metafysica in 1945. Hij veranderde het filosofie-curriculum, redigeerde het tijdschrift Mind van 1947 tot 1972 en bepaalde benoemingen van filosofen in heel Groot-Brittannië, zelfs na zijn pensionering.

Om dit te kunnen doen moest Ryle uiteraard in brede kring respect genieten. Dat gezag ontleende hij aan één boek: The Concept of Mind, dat verscheen in 1949 en onmiddellijk werd herkend als een meesterwerk. Het leidde de ondergang in van het cartesiaanse dualisme van lichaam (res extensa) en geest (res cogitans), dat sinds de zeventiende eeuw de filosofie van de geest had gedomineerd. Zoals we gemakkelijk op de gedachte komen dat de naam `Meneer Pickwick' verwijst naar een bestaand personage, zo doen we in de omgangstaal net alsof woorden voor mentale toestanden verwijzen naar mysterieuze processen die zich afspelen achter onze ogen, in een ongrijpbare substantie die `de geest' wordt genoemd. De geest wordt voorgesteld als een `innerlijk theater', waar ons geestesoog gratis voorstellingen krijgt aangeboden.

Volgens Ryle komt deze mythologie van een binnenwereld voort uit het werk van René Descartes. Diens mythe van een `geest in een machine' berust op een denkfout die Ryle `categorie-fout' noemt. Ter illustratie vertelt hij de volgende anekdote: een buitenlander krijgt een rondleiding door Oxford. Men laat hem de verschillende colleges zien, de Bodleiaanse bibliotheek, de laboratoria en het Sheldoniaanse theater. Na afloop vraagt de buitenlander: `Prachtig, maar waar is nu de universiteit?'

Eenzelfde fout maakt een kind die naar een militaire parade gaat kijken, de verschillende divisies voorbij ziet trekken en dan vraagt: `Waar blijft nu het leger?' Ook iemand die in `de geest' gelooft maakt zo'n categorie-fout. Hij ziet een mens zich op een bepaalde manier gedragen en denkt dat dit gedrag door een geest wordt veroorzaakt. Maar de geest is geen mysterieuze entiteit die achter gedrag schuilgaat, aldus Ryle; de geest is dat gedrag.

Hoe komen we er nu toe zo'n categoriefout te maken? Ten eerste, omdat we door de taal op het verkeerde been worden gezet. We denken dat al onze woorden op dezelfde manier verwijzen naar objecten in ruimte en tijd. Maar woorden voor mentale toestanden als angst, hoop, kennis en verwachting verwijzen niet naar objecten, maar naar bepaalde vormen van gedrag. Ten tweede zijn we geneigd de geest op te vatten als een soort opslagplaats van kennis. Ons intellect zou er vooral uit bestaan dat we veel weten. Dat is volgens Ryle een vertekening. Iemands intelligentie blijkt vooral uit wat hij met kennis doet. Kennis moet niet worden begrepen als knowing that, zoals de wijsbegeerte meent, maar als knowing how.

Door de Tweede Wereldoorlog is het bijna onbetamelijk om te vragen waar Ryle dat onderscheid tussen `knowing that' en `knowing how' vandaan heeft. In 1929 had Ryle een recensie geschreven van Sein und Zeit van de Duitse filosoof Martin Heidegger, die in de Angelsaksische wijsbegeerte werd beschouwd als de filosoof van het nationaal-socialisme. In Sein und Zeit benadrukt Heidegger dat `begrijpen' primair een vaardigheid is, een kunnen, en slechts in afgeleide zin een kennen.

Er zijn meer raakvlakken tussen Heideggers werk en de Oxfordse taalfilosofie. Ryle's behaviorisme wordt door hedendaagse Amerikaanse filosofen wel op één hoop gegooid met het sciëntistisch behaviorisme, uitgedragen door het logisch positivisme. Dat streefde ernaar alle uitspraken over mentale toestanden te reduceren tot een natuurwetenschappelijke theorie over de werkelijkheid. Een dergelijk behaviorisme wijst Ryle echter af: `De roeping van de mens is mens te zijn', schrijft hij; `mensen zijn geen machines.' Zodoende ontloopt hij een onoverkomelijk bezwaar tegen het reductionistisch behaviorisme: het is onmogelijk gedrag volledig te beschrijven zonder begrippen als `willen' en `weten'. Een sciëntistisch behaviorist mag van zulke begrippen geen gebruik maken, omdat hij die juist wil reduceren tot termen die enkel verwijzen naar meetbare, fysieke bewegingen.

Ryle is geen reductionistisch behaviorist en mag dus wel gebruik maken van begrippen voor mentale toestanden. Zijn stelling is alleen dat woorden waarvan wij menen dat ze staan voor mentale toestanden in een mysterieuze geest, na analyse van ons taalgebruik blijken te staan voor vormen van gedrag. Het indrukwekkende van The Concept of Mind is dat Ryle probeert aan te tonen dat begrippen als `emoties', `vrije wil', `verbeelding' en `zelfkennis', waarvan wij menen dat ze staan voor geestelijke verschijnselen, eigenlijk verwijzen naar vormen van gedrag.

De methode die Ryle daarbij volgt is telkens te onderzoeken hoe woorden voor mentale toestanden gebruikt worden in de omgangstaal. Vervolgens trekt hij een conclusie over het verschijnsel zelf. Illustratief is zijn behandeling van het probleem van zelfkennis. We hebben de intuïtie dat we onze eigen gedachten beter kennen dan een ander. Ryle erkent die intuïtie, maar geeft er een behavioristische verklaring voor: we leren eerst naar anderen kijken en leren woorden voor hun gedrag. Vervolgens leren we onszelf te zien door de ogen van een ander. Omdat iedereen altijd bij zichzelf `aanwezig' is, en we onszelf voortdurend kunnen gadeslaan, weten we beter van onszelf hoe we ons gedragen dan van welke ander dan ook. Dat verklaart de intuïtie dat we zelfkennis menen te hebben. Introspectie met een `geestesoog' hebben we daarvoor helemaal niet nodig.

Deze behandeling van zelfkennis toont tegelijkertijd de sterke en de zwakke kant van Ryle's behaviorisme. De zwakke kant komt tot uiting in het volgende mopje: twee behavioristen komen elkaar tegen op straat; zegt de één: `Jij voelt je prima. Maar zeg eens: Hoe voel ík me?' Als mentale toestanden samenvallen met uiterlijk waarneembaar gedrag, en je geen beroep mag doen op introspectie, zou men immers niet van zichzelf kunnen zeggen hoe men zich voelt - een absurde gevolgtrekking.

Tegen Ryle pleit ook dat het onwaarschijnlijk is dat iemand die 's nachts gillend wakker wordt zich slechts paniekerig zou gedragen. Waarom zouden we in een verklaring van dat paniekgedrag niet de hypothese mogen formuleren dat hij een bepaalde mentale toestand had, een droom waarin hij zichzelf gedwongen zag van de Euromast te springen, die zijn plotselinge ontwaken veroorzaakte? Andere wetenschappen postuleren immers ook theoretische entiteiten zoals quarks en elektronen, dus waarom zou de psychologie dat niet mogen doen?

Een andere zwakte is dat Ryle's boek weliswaar de titel draagt The Concept of Mind, maar dat hij al snel zijn aandacht verschuift van het talige begrip geest naar het reële verschijnsel geest. Zijn onuitgesproken rechtvaardiging voor deze gelijkstelling van het begrip met het verschijnsel is de opvatting dat we in het leren spreken van onze moedertaal impliciet ook een beeld van de werkelijkheid krijgen aangereikt. Dit `linguïstisch idealisme' is inmiddels door de taalfilosofie zelf verlaten. Vóór we een taal kunnen leren spreken, moeten we al een besef hebben van een objectieve werkelijkheid in ruimte en tijd.

Ryle's behaviorisme is dus niet houdbaar. Maar dat betekent niet dat we kunnen terugkeren naar het cartesianisme. Zowel in de psychologie als de filosofie zijn de dagen van het dualisme van lichaam en geest voorgoed voorbij. De sterke kant van Ryle is dat er nog steeds veel te leren valt uit The Concept of Mind: we leren onze woorden voor `geestelijke verschijnselen' gebruiken door te kijken naar gedrag. Bovenal toont Gilbert Ryle hoe een filosofisch werk geschreven moet worden: pakkend, zonder jargon of voetnoten en in een stijl die nog steeds leeft.

Gilbert Ryle: The Concept of Mind. Penguin (1964), ƒ38,75. In juli 2000 verschijnt bij Penguin in de serie Modern Classsics een nieuwe uitgave.