Flexibiliteit moet Europese defensie redden

Het is een nieuwigheid. Volgende week vrijdag zullen de staats- en regeringsleiders van de Europese Unie, in Helsinki bijeen, niet, zoals te doen gebruikelijk, worden geconfronteerd met een Frans-Duits voorstel van verstrekkende inhoud, maar met een Frans-Brits-Duits-Italiaans document waarmee de indieners de Europese Defensie Identiteit (EDI) nu eindelijk eens een impuls willen geven. Ten grondslag aan dit document ligt de Frans-Britse verklaring van 25 november over hetzelfde thema. Hoe men het ook wendt of keert: ondanks hoofse buigingen voor de eeuwige heiligheid van de NAVO is die verklaring een document geworden dat in wezen samenwerking met de Amerikanen krachtig nuanceert.

Voor Frankrijk is dat niets bijzonders. Sinds de kater over de Amerikaanse torpedering van de Frans-Britse interventie aan het Suezkanaal in 1956 en de terugkeer van generaal De Gaulle aan het roer van staat twee jaar later is het Franse politiek geweest om afstand te bewaren tot de grote bondgenoot aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan. Genoeg afstand om enige vrijheid van handelen te behouden, niet zoveel afstand dat de Amerikaanse garanties voor de veiligheid van West- Europa in gevaar werden gebracht.

Voor de Britten is het iets nieuws. Sinds premier Macmillan in 1962, tot ongenoegen van De Gaulle, Groot-Brittanniës strategische defensie in de Amerikaanse kernmacht integreerde is de 'special relationship' met de VS een gegeven geweest. En ook nu houdt premier Blair vol dat een EDI niet ten koste zal en mag gaan van de NAVO. Sterker, zij zou beantwoorden aan een Amerikaanse wens dat Europa meer van de gezamenlijke militaire last op zijn schouders neemt. Aan de gestage inkrimping van het defensiebudget sinds de val van de Muur heeft de Amerikaanse regering een einde gemaakt. De Europese bondgenoten worden geacht haar op dit pad te volgen.

De vraag is echter onder welk gesternte de partners aan het Amerikaanse verlangen zullen voldoen. In de Europese Raad en in de ministerraden van de Unie zijn de Amerikanen niet vertegenwoordigd. Zij zullen dus op zijn hoogst zijdelings en via afzonderlijke lidstaten invloed hebben op de Europese plannenmakerij. Een grotere Europese bijdrage aan de gezamenlijke veiligheid is één ding, de vorm waarin die extra bijdrage wordt gegoten is iets geheel anders. Van belang is de volgorde: besluit de NAVO in voorkomende gevallen dat de EU, zonodig ondersteund door de NAVO, aan een militaire 'Alleingang' kan beginnen of neemt de Europese Raad daarover een besluit en confronteert hij daarmee vervolgens de partners in de NAVO?

De Frans-Britse verklaring van Londen spreekt voor zichzelf. Daarin wordt gezegd dat de Europese naties hun defensiemacht dienen te vergroten teneinde in staat te zijn doeltreffende, door de Europese Unie geleide operaties uit te voeren zoals zij ook hun rol moeten kunnen spelen in Atlantische operaties. Dit wordt noodzakelijk geacht om de EU een autonoom vermogen te verschaffen om besluiten te nemen en door de EU geleide militaire operaties te beginnen en door te voeren, waarbij de Alliantie in haar geheel niet is betrokken.

Voorzichtig zegt de deze week gepubliceerde Nederlandse Defensienota over die materie dat in omvangrijkere operaties waar de Amerikanen zich afzijdig houden toch zoveel mogelijk zal worden gebruikgemaakt van NAVO- middelen. Maar in de Frans-Britse verklaring staat: al deze (EU-geleide) strijdkrachten zullen over het volledige vermogen beschikken dat noodzakelijk is om de meest veeleisende taken bij het beheersen van crises op zich te nemen.

Het is een ervaringsfeit dat wie niet zijn eigen wapens produceert, er geen autonome verdediging op na kan houden. Dat was de reden waarom al de Vierde Republiek de beslissing nam een onafhankelijke Franse kernmacht op te richten. Dat was ook de reden waarom president Mitterrand, tijdens zijn staatsbezoek in 1984, in de Tweede Kamer tamboereerde op de noodzaak van een Europese aanwezigheid in de ruimte. In de Frans-Britse verklaring wordt gesteld dat een versterkte Europese verdediging de ondersteuning behoeft van een sterke en competitieve Europese defensie-industrie en technologie. De herstructurering van de Europese ruimtevaart- en defensie-industrie is een belangrijke stap die zal helpen de competitie op de wereldmarkt te verbeteren, wordt gezegd.

Dat hier een risico dreigt, hebben de auteurs van het document ook wel onderkend. Het nieuwe Europese militaire vermogen zal niet van de ene dag op de andere tot stand komen. Men voorziet op dit gebied dan ook transatlantische samenwerking die zich zal ontwikkelen "in een geest van evenwichtig partnership". De verborgen conclusie lijkt te zijn: concurrentie met de Amerikanen waar mogelijk, samenwerking waar die niet kan worden gemist.

Een verdeelde Unie zal zich over het in aanleg Frans-Britse papier buigen. Daar zijn in de eerste plaats de 'neutrale' leden - Zweden, Finland en Oostenrijk - die geen behoefte hebben aan militaire bondgenootschappen. Daar is het NAVO-lid Denemarken dat een 'opt-out' heeft verkregen voor Europese samenwerking op defensiegebied. Daar is Nederland dat altijd afstand heeft bewaard ten opzichte van het Frans- Duits-Belgisch-Luxemburgs-Spaanse Eurokorps. Volgens het Frans-Britse document moet dit korps bestanddeel worden van de snelle interventiemacht van de EU. Niet voor niets onderhoudt Nederland, evenals Denemarken en Polen, een eigen relatie met de Bondsrepubliek in een gemengd legerkorps - dat overigens in de Defensienota een rol krijgt toebedeeld bij het opzetten en onderhouden van vredesoperaties. En is het toevallig dat Nederland zich terugtrekt op Bosnië nu de verschijning van het Eurokorps als leidinggevende instantie in Kosovo aanstaande heet te zijn? Als het dan toch moet: liever samenwerking op zee, moet De Grave hebben gedacht. Ten slotte is er de Bondsrepubliek zelf die vasthoudt aan de dienstplicht, en alleen al daarom slechts een bescheiden bijdrage kan leveren aan een interventiemacht, Europees of Atlantisch.

De redding van het document in Helsinki zal moeten komen van het axioma van de flexibiliteit. De Unie zal zich, nog voor zij het met zichzelf eens is geworden over haar opzet en organisatie in de toekomst en nog voor zij is begonnen aan de omvangrijkste en ingrijpendste uitbreiding uit haar geschiedenis, begeven op het glibberige pad van de militaire samenwerking. In de praktijk zal het waarschijnlijk slechts gaan om een deel van de Unie, de zogenoemde harde kern. Maar ook in die kern worden de accenten verschillend geplaatst. Fransen en Britten hebben nu verzamelen geblazen. Afwachten maar hoe het Europese volk, dat het geld zal moeten opbrengen, reageert.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.