Eva Gerlach bouwt aan een verhakselde wereld

`De wereld past niet in een mensenhoofd'– van dat besef zijn de gedichten van Eva Gerlach doordrongen. Voor haar poëzie kreeg de dichteres gisteren de P.C. Hooftprijs toegekend.

,,Zij zal, als de tekenen niet bedriegen en als er niets misgaat, een van de grote dichters worden van de komende jaren,'' schreef K.L.Poll in 1984 in deze krant in een recensie op Eva Gerlachs bundel Een kopstaand beeld. De jaren, en de jury die Eva Gerlach (pseudoniem van Margaret Dijkstra) gisteren de P.C. Hooftprijs toekende, hebben hem gelijk gegeven. Gerlach begon met tamelijk vormvaste gedichten in strak gecomponeerde bundels, maar geleidelijk werden zowel de bundelcompositie als de poëzie losser en vrijer. Haar taalgebruik is van meet af aan een mengeling van transparantie en raadselachtigheid geweest. Haar onderwerpen zoekt ze over het algemeen dicht bij huis, ze schrijft over familieleden, vrienden, over een onafgeruimde tafel, een mier, kinderen aan het strand, katjes aan de bomen. In dat alledaagse sluipt altijd het grote onbegrijpelijke. De wereld past niet in een mensenhoofd – van dat besef zijn haar gedichten doordrongen. Ze spreekt zich daar min of meer programmatisch over uit in het gedicht `Kruim' uit haar laatste bundel

(1998) Niets bestendiger:

Wat heel is, kunnen wij niet zien,

het is

te groot, het past ons niet en niet

in onze hoofden

maar wat aan mootjes, haksel is,

verkiezeld,

kruim, gepureerd, verstoven of

ontbonden –

al het verdeelde zit voorgoed in ons.

Eva Gerlach hield zich de eerste jaren geheel schuil achter haar gedichten: geen foto's, geen interviews, geen optredens, niets dan een pseudoniem. De nieuwsgierigheid van pers en publiek naar wie die poëzie voortbracht, werd echter te groot. Dat heeft als voordeel dat zij zich nu soms ook uitspreekt over haar poëzie. ,,Als je woordparen neemt als identiteit-verbrokkeling of samenhang-desintegratie dan zou ik niet zonder meer durven zeggen dat ik de eerste helften de meest ideale vind. Het zijn de tweede helften die de beweging erin houden'', zei ze in een interview. Dat is verrassend van een dichteres van wie men geneigd is om aan te nemen, zoals de jury ook doet, dat zij in eerste instantie op zoek is naar orde.

Gerlach heeft grote belangstelling voor fotografie, de kunst van de willekeurige momenten die toch niet willekeurig zijn. Het duidelijkst sprak dat uit de in 1997 verschenen gedichten bij foto's van V. Dukát, Alles is werkelijk hier.

Het werk van Gerlach is moeilijk te plaatsen. Er is wel eens gewezen op verwantschap met Hendrik de Vries, de maker van harde en tegelijk sprookjesachtige poëzie, poëzie ook waarin net als bij Gerlach verontrustende dromen rondspoken. Faverey speelt vast een rol, en Kopland, maar dan zonder diens troostende melancholie.

Uit een van haar sterkste bundels, De kracht van verlamming (1988) spreekt het door de jury gememoreerde verzet tegen het verdwijnen en het verval. Het gedicht 'Niet, niet' eindigt bezwerend als volgt:

Lichaam, doe hem weer pijn.

Vlees van hem, hou zijn botten vast.

Zaad, lig niet in hem stil.

Haar op zijn hoofd dat aan

mij denkt, ga niet verloren.

De jury bestond uit hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Wiljan van den Akker (voorzitter), de dichters en poëziecritici Arie van den Berg en Ad Zuiderent, dichteres Esther Jansma, en neerlandica Anneke Reitsma.