Een schoffie met een groot verdriet

Voor zijn boek Kruimeltje combineerde Chr.J. van Abkoude zijn herinneringen aan Rotterdam met zijn kennis over de strenge opvang van weeskinderen. En met Charles Chaplins film `The Kid'.

Chris van Abkoude viel met de deur in huis. Ook de zeventigste druk van zijn klassieke kinderboek Kruimeltje, door uitgeverij Kluitman gepresenteerd als `filmeditie', begint met de woorden: ,,D'r uit of ik trap je d'r uit!' Ze worden uitgesproken door de dikke bakker in zijn winkel waar onze kleine held om een krentenbol smeekt. En al in de derde zin komt de vriendelijke juffrouw tussenbeide die de krentenbol wel wil betalen – zonder te beseffen dat ze aan het eind van het verhaal de moeder van de arme weesjongen zal blijken te zijn.

Het is winter in vooroorlogs Rotterdam, en er ligt sneeuw, zo begint ook de verfilming die volgende week in première gaat. In het uit 1922 daterende boek banjert Kruimeltje door de Westewagenstraat en glijdt met zijn vriend Kees op een sleetje over een helling van de Hoogstraat naar de Raambrug. Maar in de in sepia gedompelde film staat de bakkerswinkel in het dorp van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen, terwijl het schilderachtige straatbeeld deels is gevonden op de hoek van de Zeedijk en de St. Olofssteeg in Amsterdam. De stad van Van Abkoude, met haar sloppen, stegen en straatjes, bestaat niet meer. De behoeftige omstandigheden van een jongetje als Kruimeltje evenmin. Ze zijn een herinnering geworden, om sentimenteel een traantje bij weg te pinken.

Voor de schrijver zelf was het oude hart van Rotterdam trouwens al in 1922 een herinnering. Zes jaar eerder was hij met vrouw en drie kinderen naar Amerika geëmigreerd, en daar schreef hij Kruimeltje. Het laatste wat hij van Rotterdam zag, was de haven. Hoewel hij bijna al zijn boeken in zijn geboortestad situeerde, is hij nooit meer in Nederland teruggeweest. Hij stierf in 1964, en was intussen zo ver van zijn vaderland verwijderd dat geen enkele Nederlandse krant toen melding maakte van zijn overlijden.

Het kan niet anders of Kruimeltje is het werk van iemand die zich het lot van zo'n weesjongen – eerst een barse stiefmoeder, daarna een ondraaglijk weeshuis – aantrok. Chris van Abkoude, in 1880 geboren als zoon van een barbier in de Jonker Fransstraat, moet een sociaal voelend man zijn geweest. Hij ging naar de kweekschool, werd onderwijzer en publiceerde in 1903 een brochure voor de Commissie tot Kostelooze Voeding van Schoolkinderen, ter ondersteuning van een actie voor gemeentelijke bijstand. Droevig kinderleven in Rotterdam heette die brochure, waarin de auteur in woest opvlammende Tachtigers-taal het schrille lot van de hongerige kinderen aanklaagt: ,,In Rotterdam leeft verborgen, weggekropen in donkere schuilhoeken, onopgemerkt in vunze stegen en sloppen, een volksklasse, die een wanhopigen strijd voert om het bestaan. Een strijd, zóó vreselijk, zóó hartverscheurend jammerlijk, dat de aanschouwing daarvan ons het harte doet breken. Daar wordt geleden een wreed lijden... (-) En daar, lezer, in die donkere samenleving, te midden van goor griezelige krotstegen, pestdampen-uitbrakende menschen-holen, dáár leven kinderen!'

Maar behalve een meevoelende schoolmeester was Van Abkoude vast en zeker ook een vrolijke avonturier met artistieke ambities. Zijn tweede boekje verscheen in 1909 onder de titel Met de poppenkast op reis en behelsde het verslag van een schavuitenstreek: met een bevriend journalist, een collega-onderwijzer en een poppenkast was hij tijdens de zomervakantie op reis door Limburg geweest, schaterend van het lachen en liegend en bedriegend om niet wegens het gebrek aan vergunningen door de plaatselijke politie te worden gearresteerd.

Gezonde geest

De eerste kinderboeken die Van Abkoude schreef, tot tevredenheid van uitgever Piet Kluitman te Alkmaar, waren nog tamelijk braaf. Instemmend werd in de pedagogisch getinte kritieken gerept van hoofdpersonen met een hart van goud en voorbeeldig gedrag. De padvinders van Duinwijk (1911) gaf een heldhaftig beeld van de padvinderij, en De waterratten (1915) verhaalde aanstekelijk van een zeil- en kampeertocht. Zijn jongens hadden een gezonde geest in een gezond lichaam. De boeken werden zo goed verkocht, dat Van Abkoude zijn baan opzegde om voortaan zijn brood te verdienen met het schrijven en het houden van voordrachten voor kinderen en volwassenen. Maar nu wil niemand zulke boeken meer lezen; ze zijn hopeloos verouderd en ook al in geen eeuwigheid meer herdrukt.

Pas tijdens de mobilisatie van 1914, toen hij voor twintig cent per dag als korporaal bij de Landweer gelegerd was, wist Van Abkoude het keurslijf van de traditionele opvoedkunde van zich af te schudden. Met de Rotterdamse rakker Pietje Bell, zoon van een montere schoenlapper in de Breestraat, schiep hij een held die het allemaal deksels goed meende, maar ook een onbedwingbare neiging tot ondeugende grappenmakerij had. De pedagogen konden er niet om lachen, anders dan vader Bell die zijn zoon `een reuzentiep' vond. Jarenlang duidde de Winkler Prins het boek aan als `pedagogisch aanvechtbaar'. En nog in 1954 noteerde Annie M.G. Schmidt in een essay over jeugdlectuur, dat Pietje Bell vaak `misselijk en flauw' was.

Pietje Bell was echter een kassucces, misschien zelfs mede door het misprijzen van de opvoedkundigen. De eerste opbrengsten stelden Van Abkoude zelfs in staat in 1916 aan zijn ultieme avontuur te beginnen: emigreren naar Amerika. Over zijn beweegredenen is niet veel bekend, maar het is veelzeggend wat hij al eerder, in zijn sentimentele jongensboek Tim en Tom, had geschreven over het land met de onbegrensde mogelijkheden: ,,En daar, in het verre westen, hebben zij weergevonden wat zij in het vaderland verloren hadden, namelijk een gelukkig leven.'

In de nieuwe wereld mat Van Abkoude zich de naam Winters aan en ondernam van alles om aan de kost te komen. Hij stuurde Amerikaanse kronieken naar het Rotterdamsch Nieuwsblad, werkte als bioscooppianist bij zwijgende films, hield lezingen over Nederland, trok rond met de poppenkast en werd ten slotte directeur van een distributiecentrum voor tijdschriften in zijn woonplaats Alameda, in Californië. En op gezette tijden ontving Kluitman een nieuw boek: eerst De vlegeljaren van Pietje Bell (1920) en De zonen van Pietje Bell (1922), maar toen zijn uitgever om nog méér bleef vragen, paste Van Abkoude de chronologie aan en schreef ook nog Pietje Bell's goocheltoeren (1924), Pietje Bell in Amerika (1929), Nieuwe avonturen van Pietje Bell (1932), Pietje Bell is weer aan de gang (1934) en Pietje Bell gaat vliegen (1936). Om het allemaal kloppend te krijgen, moest hij danig rommelen met de leeftijden van zijn personages.

Kruimeltje is een ander kereltje dan Pietje Bell. Ook hij neemt in zijn hang naar rechtvaardigheid wel eens zijn toevlucht tot stoute streken, maar een echte grappenmaker is hij niet. In zijn hart draagt hij immers een groot verdriet met zich mee. Om zijn nek hangt het medaillon met de portretjes van zijn vader en zijn moeder, maar hij weet niet wie zij zijn – en of ze nog leven. Dat het allemaal goed komt, is te danken aan de aardige meneer Wilkes, die in het fotootje van de vader een naar Amerika geëmigreerde vriend herkent. Niet alleen geeft deze man onderdak aan Kruimeltje, maar hij gaat zelfs naar New York om zijn oude vriend te zoeken. Daar ontmoet hij een zekere Winters, een Nederlander die verhalen schrijft en alles over de speurtocht wil weten omdat er misschien stof voor een boek in zit. Verder speelt Winters geen rol van betekenis, maar aan het slot krijgt hij van Wilkes een brief met het hele relaas, waarna hij zijn pijp stopt, achter de typemachine plaatsneemt en `voor de jeugd van Nederland' het verhaal van Kruimeltje gaat schrijven.

In het boek heeft Van Abkoude zijn herinneringen aan Rotterdam gecombineerd met zijn kennis over de strenge opvang van weeskinderen. Maar waarschijnlijk heeft hij ook nog een andere inspiratiebron gehad. Kort voordat Kruimeltje werd geschreven, had Charles Chaplin de film The Kid uitgebracht – over een weesjongen die onder de arm wordt genomen door een vriendelijke volwassenene (Chaplin zelf), uit een kindergesticht ontsnapt en al die tijd een briefje bij zich draagt met een spoor naar zijn echte ouders. ,,Wie mocht hier nog twijfelen?' aldus Hans van Straten in het bundeltje Opmars der plagiatoren (1993). ,,In elk geval niet de illustrator van het boek, Pol Dom. Hij tekende Kruimeltje met net zo'n veel te grote pet als het jochie in de film draagt.'

Die buitenmodel-pet siert nu trouwens ook de aanvallige Ruud Feltkamp, die de Kruimeltje-rol in de verfilming speelt. Als knipoog naar de geschiedenis heeft regisseur Maria Peters in haar film bovendien een fragmentje uit The Kid gebruikt; het wordt vertoond in een bioscoop, waar Kruimeltje wordt betoverd door bewegende beelden uit het verre Amerika. (In een flits zien we daar Henny Vrienten in beeld als bioscooppianist, in het voetspoor van Van Abkoude zelf.) Hans van Straten houdt het erop dat Van Abkoude de Chaplin-film in elk geval heeft gezien – wie weet zelfs begeleid – en er zozeer door werd gegrepen dat hij zijn boek wel móest schrijven.

In de Kruimeltje-film is de figuur van de schrijver Winters geschrapt, dat kon ook makkelijk. Nu is de vriendelijke Wilkes tevens de man die boeken schrijft. In de laatste scène is hij het die zijn avonturen met Kruimeltje op schrift blijkt te hebben gesteld. Het boek is net verschenen, en iedereen krijgt een exemplaar. Het laatste beeld van de film is het omslag van het boek – in een ovaaltje dat steeds kleiner wordt en ten slotte in het zwart verdwijnt.

De film Kruimeltje, geregisseerd door Maria Peters, gaat 9/12 in première in 90 bioscopen.