De toverlantaarn van Tremain

Op het omslag van Rose Tremains nieuwe roman staat een portret door Abraham Wuchters van Koning Christiaan IV van Denemarken – althans hoofd en schouderpartij van de koning, de rest van hem is veranderd in een viool. Hieruit kunnen wij bij voorbaat opmaken dat de schrijfster niet geprobeerd heeft de reële historische figuur te karakteriseren, al heeft zijn leven de uitgangspunten verschaft voor haar verhaal dat speelt in 1629 en 1630. De geschiedkundig gestemde lezer zou misschien wel willen weten hoe hij eigenlijk was, en hoe zijn minnares Kirsten Munk was, achter op de omslag afgebeeld met haar gezicht verborgen door een luit. Dat komt dan later. Music and Silence laat ons niet op het Deense verleden uitkijken maar op de verbeelding van Rose Tremain.

Het is boven verwachting zoals haar personen, onbehouwen of lieftallig, zelfzuchtig of hartelijk, wellustig of lieflijk, hun kleur tot het eind van de lange roman behouden. De koning, zijn vriendin, de koningin-moeder en een stelletje andere Denen, een Engelse luitspeler en zijn familie, een Ierse edelman die jong sterft en zijn Italiaanse weduwe, een Noorse dominee – al deze personen leiden hun eigen leven en wisselen elkaar af in passages van vier of vijf pagina's. Sommigen kennen elkaar niet eens. Wat zij gemeen hebben is dat hun omstandigheden in de loop van iets meer dan een jaar ingrijpend veranderen, meestal in verband met gebeurtenissen aan het Deense hof.

De meeste van de korte passages zijn gesteld in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Niemand zal zich daarover verwonderen, want dat wordt tegenwoordig veel gedaan, in de literatuur net als in de journalistiek, met het bedrieglijke argument dat het verleden dan nader tot ons komt. Vaak werkt het alleen drukkend om het hele leven van vroeger voor ons opgestapeld te krijgen in een onontkoombaar nu. Een enkele keer verruimt het de verbeelding, als er een bijzondere motivering voor is.

In het boek van Tremain past het voor de vertelvorm in korte fragmenten, die zij presenteert als een explicateur bij een literaire toverlantaarn. Hoe is het Koning Christiaan vergaan sinds vijftien pagina's geleden? Waar is Kirsten Munk gebleven? Wat zou er met de Engelse luitspeler gebeurd zijn? Die vragen staan niet in de tekst, de lezer vult ze zelf in.

De personen zijn net genoeg gechargeerd om prompt de aandacht te winnen wanneer zij zich opnieuw vertonen. De meest complexe is de koning, bezeten door zijn begeerte naar Kirsten, tobbend over de economische nood van zijn land, mijmerend bij het spel van zijn buitenlandse muzikanten, filosoferend in gesprek met de Engelse luitspeler. Hij ontspant zich enigermate als hij eindelijk de kracht vindt om zijn minnares weg te sturen die hem al maanden bedrogen heeft met een Duitse baron. Deze Kirsten is de meest eenzijdige van de personen, nymfo- en egomaan met woedende uitvallen naar iedereen die haar belang veronachtzaamt: bijna een karikatuur, toch een herkenbaar menselijk wezen en telkens een vreugde om terug te zien voor de lezer die gelukkig niet met haar in levenden lijve te maken heeft.

Behalve aan de personen en hun verwikkelingen laat het boek herinneringen na aan formuleringen die zo vlug een ondervinding oproepen dat zij in een opschrijfboekje genoteerd verdienen te worden. Als Kirsten weg moet van het hof, rijdt zij in een oud zwart rijtuig waar het muf ruikt, `als een vergeten kamer waar oude mensen gewoond hadden en muizen gevangen, en hun laatste zomers verzacht met lavendel.'

De kleinste vlugge verrassing komt op het huwelijk van de zuster van de luitspeler, waar in het voorbijgaan een grapje tegen de bruidegom wordt gemaakt door een ons onbekend voorkomende Sir Lawrence de Vere, sinds kort getrouwd met een Italiaanse weduwe. De lezer leest er overheen, en beseft pas even later: ik heb van die man gehoord en ik ken de ex-weduwe heel goed, zij was de minnares van de luitspeler en zij kwam ook naar Denemarken! Intussen is de bladzijde al omgeslagen en Sir Lawrence is verdwenen in het feestgewoel. Echt een kennissenkring.

Een niet innemende gewoonte die Rose Tremain aan Christiaan IV toeschrijft, is dat hij zijn muzikanten laat spelen bij kaarslicht in een koude kelder onder zijn grote salon. Zijn gasten horen het door een onzichtbaar rooster en tonen eerbiedige verwondering voor deze voorloper van achtergrondmuziek. De koning vindt het zelf ook mooi en waardeert zijn muzikanten; het komt niet bij hem op dat de werknemers ontevreden zouden kunnen zijn over hun accommodatie. De enige die er niets aan vindt, is Kirsten. Ik verafschuwde de muziek, zegt zij als zij er later aan terugdenkt en zij herinnert zich met genoegen hoe zij haar bezoeken aan de grote salon begon met het luik dicht te trappen, waardoor de kaarsen beneden uitgingen en de muzikanten onhoorbaar in het donker zaten.

Waarschijnlijk heeft de schrijfster deze streek van Kirsten bedacht toen zij aan de laatste pagina's bezig was. Er staan nogal wat vondsten in het boek die zich voordoen alsof zij haar ongezocht zijn ingevallen. Zij moet er plezier aan beleefd hebben, en de lezer deelt in dat plezier.

Als ik Music and Silence in gedachten oproep, denk ik er een kasteeltuin bij, Rosenborg misschien of Frederiksborg, aan het einde van de middag als de toeristen vertrokken zijn: zo stil is het verleden waar iedereen dood is, behalve in onze verbeelding waar de stemmen van de voorouders weerklinken.

Rose Tremain: Music and Silence. Chatto & Windus, 453 blz. ƒ67,65

De Nederlandse vertaling (Muziek en stilte), van Eugène Dabekaussen en Tilly Maters, is verschenen bij Contact, 479 blz. ƒ59,90