Ceci n'est pas Papa

De wereld leest tegenwoordig liever óver Hemingway, dan boeken ván deze modernistische vernieuwer. De auteur van wonderschone korte verhalen wordt herinnerd zoals hij zichzelf op latere leeftijd stileerde: een bebaarde macho die eigenhandig Parijs bevrijdde en de Afrikaanse wildstand op peil hield. Hij verdient beter.

Het was op 21 juli, precies honderd jaar na de geboorte van Ernest Miller Hemingway (1899-1961). Extra gemotiveerd door de komkommertijd wijdde het Acht Uur Journaal vijf minuten aan de man die met boeken als The Sun Also Rises en A Farewell to Arms de Amerikaanse literatuur voorgoed veranderde. Na een overzicht van de levensloop van `Papa' en een impressie van de traditionele `Hemingway Lookalike Contest' in Key West, gaf het Journaal het woord aan Harry Mulisch, die een oordeel mocht vellen over de literaire nalatenschap van zijn collega. ``Hemingway heeft eigenlijk meer invloed gehad op de journalistiek dan op de literatuur', verklaarde Mulisch met een verwijzing naar moderne verslaggevers in Kosovo, die zich zijns inziens allemaal bedienden van dezelfde beeldende, directe stijl die Hemingway beroemd maakte. ``Als je wilt weten hoe het was in de jaren twintig lees je hém, als je een literair kunstwerk wilt lezen, grijp je naar anderen.'

Hoe erg kun je de werkelijkheid op zijn kop zetten? Hemingway's taal, ogenschijnlijk simpel en ontdaan van overbodige versiering, is juist voor een belangrijk deel beïnvloed door zijn ervaringen als verslaggever voor kranten als de Kansas City Star en de Toronto Star. Afgezien daarvan is het moeilijk een schrijver te noemen die de afgelopen 75 jaar meer invloed op de Amerikaanse literatuur heeft gehad dan Hemingway, wiens naam steevast (en niet zonder reden) opduikt wanneer een krachtig schrijvende debutant van een schouderklopje moet worden voorzien. En wat het volgens Mulisch beperkte karakter van Hemingway's oeuvre betreft: zijn journalistieke reportages uit Europa en de latere reisboeken over Afrika en Spanje mogen dan gedateerd zijn (zij het niet stilistisch), de romans en verhalen uit de jaren twintig zijn tijdloze kunstwerken. Al was het alleen maar omdat de eenzaamheid, de wreedheid, de gecompliceerde relaties, het oorlogsleed en de jacht op het geluk uit The Sun Also Rises of de bundel In Our Time van alle tijden zijn.

Mulisch' weging van de Nobelprijswinaar van 1954 was lichtzinnig, maar illustreerde eens te meer hoezeer de schrijver Ernest Hemingway in de vergetelheid is geraakt – ondergesneeuwd als die is door de legende Hemingway. Toen Hemingway in 1961 met twee schoten uit zijn favoriete geweer een einde maakte aan zijn leven, was hij de meest gelezen literator van Amerika; zijn nieuwe boeken haalden miljoenenoplagen en zijn oude werden voortdurend met veel succes herdrukt. Vier decennia later figureert zijn werk – en vooral zijn novelle The Old Man and the Sea – voornamelijk nog op leeslijsten van middelbare scholen en universiteiten. De wereld leest liever over Hemingway, over de baardige tweehonderdponder die een leven leidde op het scherpst van de snede; over de man die gewond raakte in de Eerste Wereldoorlog, spioneerde in de Tweede en meevocht in de Spaanse Burgeroorlog; over de drinker, de jager, de visser en de vrouwenverzamelaar. Want hoeveel onvergetelijke figuren Hemingway ook schiep, zijn succesvolste personage was hijzelf.

Het is Hemingway de macho, de spijkerharde globetrotter, wiens spoor gevolgd werd in Michael Palin's Hemingway Adventure, een recent uitgezonden vierdelige BBC-televisieserie die nu is ingedikt tot een gelijknamig boek met schitterende foto's. Michael Palin, die na zijn tijd bij Monty Python bekend is gebleven door reisprogramma's als Around the World in 80 Days en Pole to Pole, stelde zich ten doel de `man achter de legende' te vinden, maar zijn bewondering voor de oude meester – die ook al sprak uit zijn eigen debuutroman Hemingway's Chair (1995) – was kennelijk te groot om daarin te slagen. ``He lived the legend, you see, he lived the legend,' zegt een van Palins zegslieden, een Italiaanse baron op wiens landgoed Hemingway nog eenden schoot. En Palin lijkt dat alleen maar te willen beamen.

Niet dat The Hemingway Adventure, net vertaald als In het spoor van Hemingway, een overbodig boek is. Daar is de ex-Python te geestig voor en Papa's leven te enerverend. Kriskras over de aarde reizend becommentarieert Palin de landmarks van Hemingway's biografie: het geboortehuis in Oak Park, een wijk van Chicago die door Hemingway getypeerd werd met `broad lawns, narrow minds'; de rivieren van Upper Michigan, waar de jonge Ernest de inspiratie voor zijn natuurbeschrijvingen opdeed; het oorlogsgebied in de Povlakte, waar hij als ambulancerijder tijdens de Eerste Wereldoorlog gewond raakte; de linkeroever in Parijs, waar hij in de jaren twintig met andere expatriates als Gertrude Stein en John Dos Passos het modernisme de Amerikaanse literatuur binnenbracht. Palin gaat van het Spanje van de stierengevechten, via het Afrika van de Kilimanjaro en de wildparken, naar de Caribische lustoorden (Key West en Cuba) waar Hemingway in de jaren veertig en vijftig diepzeeviste; om te eindigen in Ketchum, Idaho, waar de versleten en gedeprimeerde Hemingway op 2 juli 1961 zelfmoord pleegde. `In een la in het huis,' schrijft Palin, `lagen kaartjes voor de stierengevechten in Pamplona die een week later zouden beginnen.'

Palin heeft een oog voor detail dat zijn onderwerp waardig is. Als hij opmerkt dat Hemingway een male chauvinist pig was, dan illustreert hij dat niet alleen met diens eigen woorden over Stein (`borsten van tien pond per stuk') en zijn andere maecenas, de boekhandelaar-uitgever Sylvia Beach (`mooie benen'), maar ook met de constatering dat de auteur werd geboren in het Jaar van het Varken. Als hij meldt dat na Hemingway's vertrek uit Cuba ieder jaar te zijner ere een `internationale merlijnviswedstrijd' werd georganiseerd, dan vertelt hij er meteen bij dat die in 1960 werd gewonnen door Fidel Castro. En het hoogtepunt is Palins bezoek aan Key West, waar de Hemingway-industrie in het honderdste geboortejaar hoogtij viert. Hij ziet er restaurants met namen als `The Bun Also Rises' en `For Whom the Grill Tolls' en kijkt naar een verkiezing van dubbelgangers waaraan alleen dikke mannen met baarden meedoen. Net als in het geval van Elvis Presley kiest kennelijk nooit een imitator voor het portret van de artiest als een jonge man.

Hoe vreemd het ook klinkt in het geval van een he-man, het meest verbreide beeld van Hemingway is dat van de schrijver op leeftijd, de oude bok die altijd in de weer is met groene blaadjes en die zich zoveel mogelijk vastklampt aan het leven in de schijnwerpers. Hoeveel moeite het Hemingway kostte om dat vol te houden, wordt pijnlijk duidelijk uit Hemingway, The Final Years van Michael Reynolds. In dit vijfde en laatste deel van zijn biografie, dat begint op het moment van Hemingway's grootste succes, de verschijning van zijn roman over de Spaanse Burgeroorlog For Whom the Bell Tolls (1940), schetst Reynolds de langzame aftakeling van een gigant. Het is de laatste gang van een man die zijn leven lang flirtte met de dood en in een gedicht aan zijn vrouw schreef:

Repeat after me

Do you take this old whore

Death for thy lawful

Wedded wife?

Repeat after me

I do, I do, I do.

Over gebrek aan roem had Hemingway niet te klagen, wel over het feit dat alles in zijn leven minder was dan tevoren. De verhouding met zijn tweede vrouw, de oorlogscorrespondente Martha Gellhorn, was er een van wederzijdse competitie en weinig geluk; die met zijn derde vrouw, Mary Welsh, werd gekenmerkt door ruzies en rusteloosheid. Zijn acties in de Tweede Wereldoorlog – U-boten lokaliseren in de Golf van Mexico, als verslaggever meedoen met de landing in Normandië – haalden het niet bij zijn heldendaden uit het verleden, al was hij trots op zijn `eigenhandige bevrijding' van het Parijse Ritz-hotel. De reizen die hij maakte naar de paradijzen uit zijn jonge jaren – Italië, Spanje, Afrika – vielen voornamelijk tegen. Dan was er zijn minder wordende gezondheid: jaren van doordrinken eisten hun tol, en van de vele motor- en vliegtuigongelukken die hem bleven overkomen (`the most accident-prone man in the world' wordt hij door Palin genoemd) herstelde hij steeds slechter. En langzaam begaf zijn geestelijke stabilteit het; Reynolds meldt dat de door depressies geteisterde auteur aan het eind van zijn leven zelfs elektroshocktherapie onderging.

Ook met het schrijven ging het in de jaren veertig en vijftig bergafwaarts. Negen jaar werkte de met writer's block kampende Hemingway aan de opvolger van For Whom the Bell Tolls. Het resultaat, de oorlogs- en liefdesroman Across the River and into the Trees, was een commercieel succes maar een artistiek dieptepunt. Daarna zou Hemingway de rest van zijn leven ploeteren aan een kolossale verzameling gefictionaliseerde memoires die nooit af zouden komen. The Old Man and the Sea kwam daaruit voort, het boek dat hem opnieuw onder de aandacht van het Nobelprijscomité bracht; en verder A Moveable Feast (over Parijs in de jaren twintig) en drie andere postuum gepubliceerde romans die beter in de la hadden kunnen blijven. Het verhaal wil dat de grote Hemingway in januari 1961 zo noordeloos was dat hij in huilen uitbarstte toen hij niet in staat bleek om iets origineels op papier te krijgen ter gelegenheid van de inauguratie van de door hem bewonderde John F. Kennedy.

Met True at First Light, nu door Guido Golüke vertaald als De waarheid in het ochtendlicht, is gelukkig de laatste van de postume romans verschenen. Het bij de Amerikaanse verschijning in deze bijlage besproken boek (Boeken, 23 juli), over de belevenissen van Hemingway's alter ego in een Keniaans wildpark, werd door de tweede zoon van de schrijver gedestilleerd uit achthonderd pagina's manuscript, maar is voor de bewonderaar een teleurstelling. Natuurlijk schemert Hemingway's stilistische brille door: in de oneliners (`Ik respecteerde hem zoals ik mijn vader nooit had gerespecteerd en hij vertrouwde mij, wat meer was dan ik verdiende'); in zijn beschrijvingen (`Hij sprak met een soort deinende, zangerige stem die vloeide op het ritme dat een groot bokser heeft wanneer hij in volmaakte, efficiënte bewegingen heen en weer zweeft'); en in de humoristische uitweidingen, zoals die over de willekeur van het vegetarisme (`Wie weet wat het worteltje voelt, of het kleine jonge radijsje, de doorgebrande gloeilamp, de grijsgedraaide grammofoonplaat, de appelboom in de winter?'). Maar de beschreven leeuwenjacht en de dreiging van rondzwervende Mau-Mau-rebellen zijn te saai en onbetekenend om zelfs maar na te vertellen.

Goedbeschouwd is de schrijver Hemingway er bij de viering van zijn honderdste geboortedag bekaaid afgekomen. Er is een biografie, die alleen zijn onafwendbare neergang boekstaaft, en er is een `nieuwe' roman, die Hemingway zelf nooit van zijn leven in deze vorm het licht had doen zien. De bezorger van De waarheid in het ochtendlicht vergelijkt zichzelf in zijn inleiding met de dichter Vergilius, die naar verluidt iedere avond zijn dagproductie tot een paar verzen terugbracht, `zoals een berin haar jong met veel likken geleidelijk aan schoon kreeg.' Het is een mooie analogie (al was het alleen maar omdat `Papa' zelf doorgaat voor een ongelikte beer), maar zoon Patrick heeft niet hard genoeg gelikt. Had Hemingway het werk zelf kunnen doen, in de kracht van zijn leven, dan was er misschien niet meer dan een novelle overgebleven. Ernest Hemingway verdient beter. Zoals alle kunstenaars zou hij herinnerd moeten worden om zijn beste werk, en dat zijn de verhalen die hij schreef in het Parijs van de jaren twintig, toen hij naar eigen zeggen wilde schrijven zoals Cézanne schilderde: helder, teruggebracht tot de essentie, en geladen met betekenis. Hemingway's ambities waren enorm, maar hij maakte ze waar – al in het tweede verhaal uit zijn debuutbundel In Our Time (1925). Nauwelijks vijf pagina's telt `Indian Camp', waarin Hemingway's alter ego Nick Adams als klein jongetje zijn vader vergezelt naar een stuitbevalling, die op een onverwachte manier in een drama eindigt. Maar in de droge beschrijvingen en het handjevol dialogen (waaronder een roerend gesprek tussen Nick en zijn vader) wordt heel subtiel een aantal grote thema's aangestipt: geboorte en dood, verborgen racisme, de relatie tussen vader en zoon en het onbegrip tussen de seksen. `Indian Camp' is, zoals veel verhalen van Hemingway, een roman in pilvorm.

Hemingway was een weglater. Niet alleen in zijn proza, waarin ieder overbodig woord is geschrapt en zoveel mogelijk éénlettergrepige woorden van Angelsaksische herkomst het ritme bepalen; maar ook in de verhalen zelf. Hij begint zonder omhaal, in het midden van de handeling, eindigt wanneer een conventionele schrijver pas op stoom zou komen, en laat de fantasie van de lezer het werk doen. Zelf noemde Hemingway dat het `ijsbergprincipe': je ziet één achtste, de rest ligt verborgen onder de waterlijn.

Een prachtig voorbeeld van dit procédé, dat in Nederland succesrijk beoefend wordt door J.J.Voskuil, is een ander verhaal uit In Our Time, `Cat in the Rain'. Op het eerste gezicht is het een simpel plotje: een jonge vrouw ziet vanuit het raam van haar hotelkamer een katje in de regen en probeert het vergeefs uit de nattigheid te redden. Maar als Hemingway je na vier pagina's achterlaat met een cliffhanger (de vriendelijke Italiaanse hoteleigenaar laat als troost een andere kat naar boven brengen), begint de betekenis langzaam door te dringen. De korte gesprekjes tussen de vrouw en haar onverschillig doorlezende man suggereren dat hun nog redelijk jonge huwelijk al barstjes begint te vertonen. De kat wordt een symbool voor alles wat de vrouw ontbreekt in haar leven: spanning, liefde en vooral een kind. Uiteindelijk is `Cat in the Rain' een direct verhaal over eenzaamheid, onvervulde verlangens en onderdrukte seksualiteit.

Het weglaten van alles dat de lezer zelf kan invullen – less is more – is een modernistische techniek, waarmee al door T.S. Eliot was geëxperimenteerd in zijn lange gedicht The Waste Land (1922). Hemingway combineerde die met een andere verworvenheid van het modernisme: montage, het naast elkaar plaatsen van verschillende dingen die daardoor extra betekenis krijgen. Zo wordt `Cat in the Rain' vrij snel gevolgd door een ander verhaal, `Mr. And Mrs. Elliot', waarin twee jonggehuwden wanhopig proberen om een kind te krijgen. En alle verhalen in In Our Time worden afgewisseld met korte stukjes tekst, vignetten van oorlog en geweld, die te lezen zijn als het complement van de verschrikkingen van alledag die Hemingway's personages overkomen.

De verhalen in In Our Time, maar ook die in Men without Women (1928) en Winner Take Nothing (1933), zijn het beste dat Hemingway geschreven heeft; ze gaan zelfs dieper dan zijn ontluisterende portret van de Lost Generation in The Sun Also Rises of zijn veelgeroemde liefdesverhaal A Farewell to Arms uit 1929. Kort en krachtig als ze zijn, hebben ze niets van het machismo of het sentiment waardoor zijn latere werk gekenmerkt wordt. Als twintiger was Hemingway op het toppunt van zijn kunnen; kennelijk was zijn schrijverschap, om de titel van zijn laatste postume roman aan te halen, `true at first light'. En in dat licht zouden we hem moeten gedenken bij een betere gelegenheid – liefst al volgend najaar, wanneer het 75 jaar geleden is dat In Our Time verscheen.

Michael Palin: In het spoor van Hemingway. Met foto's van Basil Pao. Uit het Engels vertaald door Stan Verschuuren. Anthos, 255 blz. ƒ59,90 (geb.). De Engelse editie (Michael Palin's Hemingway Adventure) verscheen bij Weidenfeld & Nicholson, ƒ67,-

Michael Reynolds: Hemingway, The Final Years. Norton & Company, 416 blz. ƒ72,-

Ernest Hemingway: De waarheid in het ochtendlicht. Met een inleiding van Patrick Hemingway. Uit het Amerikaans vertaald (True at First Light) door Guido Golüke. Meulenhoff, 318 blz. ƒ44,90

`In Our Time' is net als de andere genoemde titels verkrijgbaar in Scribner Paperbacks. Als Rainbow Pocket verschenen de vertalingen `En de zon gaat op' (door W.A. Fick-Lugten) en `Mannen zonder vrouwen' (door Clara Eggink).