3637 `legitieme doelwitten'

Gedurende 33 jaar lag er een permafrost van terreur, haat en angst over Noord-Ierland. Bijna dagelijks werd er gemoord en gerouwd, geleden en gevreesd. De bevolking hield de adem in tussen de afrekening van gisteren en de wraak van morgen. Pas nu met de dag de kans lijkt te groeien dat de Troubles zijn afgelopen kan er een voorlopige balans worden opgemaakt.

In Ulster, schreef de Noord-Ierse dichter Seamus Heaney in 1966, `gaat het leven door, maar de bevolking weigert de mogelijkheid van een explosie uit te sluiten. Men doet aan doublethink: de maatschappij verkeert in een verregaande staat van ontbinding, maar zolang men de andere kant op kijkt blijft de hoop bestaan dat de rot geen sporen zal achterlaten'. Heaney had een vooruitziende blik: er was in 1966 iets grondig mis in Ulster. De Britse provincie stond aan de vooravond van de Troubles, een burgeroorlog die diepe sporen heeft achtergelaten: ruim 3.600 doden en 36.000 gewonden. Bovendien werden tienduizenden katholieken en protestanten gedwongen hun geboortegrond te verlaten.

Verreweg de meeste slachtoffers van de strijd in Noord-Ierland vallen in de categorie `onschuldig'. Mannen, vrouwen en kinderen die zich op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevonden. Winkelen, pubbezoek, een kerkdienst, een praatje met een agent of soldaat, klussen voor een bedrijf of instantie die met de Britse `bezetter' werd geassocieerd, rijden in een auto met een verouderd registratienummer, bezoek aan een gezin dat `opviel' door de verkeerde religie, de hond uitlaten; overal en altijd kon een bom ontploffen of een actieve protestantse of katholieke paramilitaire eenheid opduiken.

Een subcategorie van `onschuldig' vormen de slachtoffers met een mistaken identity, die doelwit werden omdat ze voor een ander werden aangezien. De twee Nederlanders die om het leven kwamen als gevolg van de Troubles behoren ertoe. De achttienjarige zeeman W.E.L. Rena werd op 11 november 1971 vermoord. Het schip waarop hij voer lag voor anker in Belfast toen hij last kreeg van kiespijn. De tandarts die hem meteen kon behandelen had zich gevestigd aan de Grosvenor Road, in West-Belfast. Verraderlijk terrein in 1971: de IRA maakte er de dienst uit. Rena werd in de wachtkamer van de praktijk doodgeschoten. Zijn kleding, gebruind gelaat en haardracht waren opgevallen toen hij naar binnen ging. Het kon niet missen: dit was geen Ier. En dus waarschijnlijk een Britse soldaat en daarmee een legitiem doelwit, in de ogen van de IRA.

De negentienjarige Karel Straub werd op 22 maart 1979 doodgeschoten door een overzeese eenheid van de IRA toen hij in gezelschap van zijn baas, de Britse ambassadeur in Nederland Richard Sykes, de ambassade in Den Haag verliet. Straub werd waarschijnlijk (en ten onrechte) gehouden voor de lijfwacht van Sykes. Ook een legitiem doelwit volgens de IRA.

Tot nu toe was een grafsteen, een herdenkingsteken aan de kant van de weg of een foto op de schoorsteenmantel in het huis van de nabestaanden het enige wat aan de levens van de doden herinnerde. Daar is met het verschijnen van Lost Lives verandering in gekomen: een encyclopedie van ruim 1.600 bladzijden met daarin alle 3.637 doden die in de loop van 33 jaar als gevolg van de Troubles zijn gevallen.

Lost Lives is een monumentaal werk en een krankzinnige onderneming. De vier samenstellers hebben met grote volharding acht jaar besteed aan het onderzoeken, beschrijven en rubriceren van de doden. Het boek is, schrijven ze in het voorwoord, nadrukkelijk niet bedoeld als eerbetoon aan de slachtoffers. Aanvankelijk wilden ze alleen een lijst samenstellen van alle overledenen. Die kale lijst werd uitgebreid met een korte beschrijving van de wijze waarop de slachtoffers aan hun eind kwamen. Daar werd weer een korte levensschets aan toegevoegd. Tot slot plaatsten ze aan het eind van ieder lemma kruisverwijzingen naar andere doden.

Dat laatste is een vondst: de verwijzingen rijgen zich aaneen tot patronen. Bijvoorbeeld: het aantal slachtoffers door plastic kogels. Of de doden die zijn gevallen door de protestantse Shankill-butchers, een bende pathologische moordenaars die in de jaren zeventig katholieke burgers van straat plukte, gruwelijk martelde en vermoordde. Onder het lemma van Lenny Murphy (dode nummer 2483), de leider van de butchers die op 16 november 1982 werd vermoord door de IRA - waarschijnlijk met medeweten en hulp van protestantse terroristische leiders, die niet wisten wat ze met hem aan moesten –, staan de namen van de achttien slachtoffers die hij maakte. (Hij was betrokken bij nog eens twaalf moorden.) Murphy werd overigens als een militaire held uitgeleide gedaan. In de protestantse Belfast Telegraph stonden bijna twee kolommen met sympathiebetuigingen. Zijn tante schreef: `Niets is mooier dan de herinneringen aan jou, je was voor ons een bijzonder persoon en God moet er net zo over hebben gedacht. God bless, Lenny'. Zijn moeder zei: `Onze Lenny zou nog geen vlieg kwaad hebben gedaan.'

Lost Lives komt ook op het juiste moment. Gedurende 33 jaar lag er een permafrost van terreur, haat en angst over Noord-Ierland. Bijna dagelijks werd er gemoord en gerouwd, geleden en gevreesd. De bevolking hield de adem in tussen de afrekening van gisteren en de wraak van morgen. Pas nu met de dag de kans lijkt te groeien dat de Troubles zijn afgelopen kan er een voorlopige balans worden opgemaakt.

Paisley

Twee journalisten, de Brit Peter Taylor en de in Amerika wonende Noord-Ier Jack Holland, zijn daar al enige tijd mee bezig. Taylor werkt al dertig jaar voor de BBC in Ulster. Twee jaar geleden maakte hij een bewierookte documentaireserie over de Provisional IRA, de belangrijkste katholieke terreurorganisatie in Noord-Ierland die hechte banden heeft met de politieke partij Sinn Fein.

Loyalists, over protestantse paramilitaire organisaties, is daarop het logische vervolg. Beide documentaires zijn in boekvorm verschenen. Holland is goed ingevoerd in Noord-Ierland. Hij schreef eerder over de banden tussen de IRA en in de Verenigde Staten wonende Ieren en over de INLA, een splintergroep van de IRA. Hij heeft nu met Hope Against History een overzicht van de strijd in Noord-Ierland geschreven.

De Troubles begonnen niet, zoals vaak wordt gedacht, met de demonstraties voor gelijke burgerrechten voor de katholieke minderheid in de steden Belfast en (London)Derry aan het eind van de jaren zestig, maar iets eerder. De eerste slachtoffers vielen in 1966, toen katholieken in Belfast van het stadsbestuur toestemming kregen een optocht te organiseren. Deze mars voor de `martelaren van de Paasopstand tegen de Britten in 1916 in Dublin' had een Iers-nationalistische ondertoon en was voor protestanten het teken om in het geweer te komen. Meegesleept door de retoriek van dominee Ian Paisley maakten ze duidelijk dat de katholieken in Belfast (en Ulster) hun plaats dienden te kennen. Het behoud van de protestantse suprematie en macht stonden voorop. Een protestantse terreurorganisatie, de Ulster Volunteer Force onder leiding van Gusty Spence, maakte de eerste slachtoffers.

Voordat de katholieken in opstand kwamen tegen hun achterstelling in werk, behuizing en onderwijs hadden de protestanten dus al hun hakken in het zand gezet. Iedere millimeter verandering in de structuur van Ulster, die de protestanten verzekerde van hun machtspositie, werd van de kansel en gewapenderhand bestreden. Die onverzettelijkheid van de protestanten kwam een groep jonge IRA-leden goed uit. Die organisatie lag in 1966 op apegapen. Een grenscampagne om de hereniging met de Ierse Republiek tot stand te brengen was vier jaar daarvoor gestrand op de onverschilligheid van de bevolking. Onder leiding van dynamische leden als Gerry Adams en Martin McGuinness werd het katholieke protest voor gelijke rechten omgebogen in een oude IRA-eis: de eenwording van Ierland. Begin jaren zeventig werd daar een tweede eis aan toegevoegd: het vertrek van de Britse `bezetter'. De Britse soldaten waren ingezet omdat de (voornamelijk uit protestanten bestaande) politie er niet in slaagde de orde te handhaven.

Tandpasta

Tussen katholieke Republikeinen, protestantse Unionisten en het Britse gezag ontstond al snel een patstelling die 33 jaar ongewijzigd is gebleven. Bij gebrek aan succes in de strijd en ter rechtvaardiging van het almaar groeiende aantal doden werd de bevolking met even stoere als misleidende taal gesust. De Britse staat beloofde zijn onderdanen beurtelings de IRA `uit te knijpen als tandpasta' of `te streven naar een aanvaardbaar niveau van geweld' als weer eens bleek dat de organisatie zich niet liet uitknijpen. De `aanvaardbaarheid' van het geweldsniveau bleek zich overigens op wonderbaarlijke wijze aan te passen aan het aantal doden dat in een bepaald jaar viel. De IRA liet elke `spectacular' – een gewaagde en geslaagde aanval op een Brits doel, bijvoorbeeld een kazerne of een pub in het hart van een Britse stad – vergezeld gaan van een mededeling `nog twee of drie van dit soort verrassingen en de Britten blazen de aftocht'. De wens was hier de vader van de gedachte: in de praktijk bleek Londen bereid almaar meer manschappen en geld aan de `provincie' te besteden. Over de kleine miljoen protestanten in Noord-Ierland dachten de Republikeinen niet veel na. Als de eenwording van Ierland eenmaal een feit was, dan zouden zij als minderheid een plaats in de nieuwe staat aangeboden krijgen. Weigerden ze die, dan restte hun niets anders dan gedwongen remigratie naar Schotland, waar hun voorgeslacht in de zeventiende eeuw vandaan was gekomen.

De protestantse Unionisten opereerden op twee niveaus. De doorsnee protestant wist zich gerustgesteld door het onverzettelijke `No (Surrender)' van Paisley. Er werd gemarcheerd en met Oranje-vlaggen gezwaaid om de eigen identiteit een duwtje in de rug te geven. Het Britse volkslied werd aangeheven om de twijfels over de aard en duur van de steun uit Londen weg te schreeuwen. Er werd een beroep gedaan op de politie, het leger en de rechtspraak om katholieke `bandieten' een lesje te leren.

Intussen bleken protestantse jongeren uit arbeidersbuurten bereid `voor de goede zaak' vuile handen te maken. Organisaties als de Ulster Volunteer Force en de Ulster Freedom Fighters spiegelden zich aan de IRA. Zij pasten de strategie toe van de servicereturn; iedere aanslag van de IRA werd vergolden met een wraakactie op willekeurige katholieken, waarbij minstens evenveel doden moesten vallen. De gedachte hierachter was dat de katholieke bevolking door de voortdurende terreurdaden naar vrede zou snakken en zich van de IRA zou afkeren. In de praktijk wendde het doodsbange volk zich uit behoefte aan bescherming juist tot paramilitairen uit eigen gelederen.

Baat

De burgeroorlog van de afgelopen 33 jaar is door niemand gewonnen. Toch is de vraag gerechtvaardigd welke partij de meeste baat heeft gehad bij de strijd. Holland wijst er terecht op dat de IRA en Sinn Fein in eerste instantie als de grote verliezers moeten worden beschouwd. Het verenigde Ierland waarnaar zij streefden is er immers niet gekomen. En de Britten blijven in Ulster zolang de meerderheid van de bevolking dat wil. Taylor voegt daaraan toe dat de protestantse paramilitairen IRA/Sinn Fein op de knieën hebben gekregen door steeds meer slachtoffers te maken onder het kader van Sinn Fein. Niet de kwantiteit, maar de kwaliteit van de servicereturn bleek van belang. Als een vader paste Adams er bovendien voor een nieuwe generatie martelaren op te voeden of als wezen op te laten groeien.

Toch verkeren de protestanten allesbehalve in een juichstemming. Vreemd is dat natuurlijk niet. De IRA/Sinn Fein mag de oorlog dan niet hebben gewonnen, zijn leden Adams, McGuinness en anderen hebben zich met opvallend gemak en zichtbaar genoegen van tweederangs burgers en terroristen tot gerespecteerde politici getransformeerd. Ze presenteren zich met de flair van overwinnaars van de buitenwereld. Inmiddels is McGuinness benoemd tot minister van Onderwijs in de nieuwe regering, naast de protestanten die hem tot voor kort met minachting behandelden. Gelijke rechten en behandeling voor katholieken, het ideaal van de burgerrechtenbeweging – maar niet, of althans niet in eerste instantie, van de IRA/Sinn Fein – uit de jaren zestig, is inmiddels een feit. En niet alleen in politiek opzicht gaat het de katholieken goed: dertig jaar meedogenloze IRA-terreur heeft veel protestantse boeren uit de grensregio met de Ierse Republiek verjaagd. Hun boerderijen zijn inmiddels ingepikt door het andere kamp. De protestanten putten hun identiteit uit de overtuiging dat ze het in Ulster voor het zeggen zouden houden. Nu dat niet langer het geval is, verkeren ze in een crisis.

Jack Holland: Hope Against History. The Ulster Conflict. Hodder and Stoughton, 354 blz. ƒ71,60

David McKittrick, Seamus Kelters: Brian Feeney and Chris Thornton. Lost Lives. The Stories of the Men, Women and Children who Died as a Result of the Northern-Ireland Troubles. Mainstream

Publishing, 1630 blz. ƒ99,50

Peter Taylor: Loyalists. The Book of the BBC Television Series.

Bloomsbury, 278 blz. ƒ67,60

Peter Taylor: Provo's. The IRA and Sinn Fein. The Book of the BBC Television Series. Bloomsbury (1997), 376 blz. ƒ67,25 (geb.), ƒ31,75 (pbk)