Trou moet blijcken

Toemaar die donker man

Vir Simone

Op die groen voetpad

van die horison ver

om die aarde skat,

stap 'n ou man wat

'n oop maan dra in sy hare

Nagtegaal in sy hart

jasmyn gepluk vir sy oop knoopsgat

en 'n rug gebuk aan sy jare.

Wat maak hy, mammie?

Hy roep die kriekies

Hy roep die swart

stilte wat sing

soos die biesies, my hart

en die sterre wat klop

tok-tok liefling,

soos die klein toktokkies

in hul fyn-ver kring.

Wat is sy naam, mammie?

Sy naam is Sjuut

Sy naam is Slaap

Meneer Vergeet

uit die land van Vaak

Sy naam is toe maar

hy heet, my lam

Toemaar, die donker man

Mammie...

Toemaar, die donker man

Ingrid Jonker (1933-1965)

*

Een kind vraagt `wat doet hij, mammie?' en `hoe heet hij, mammie?' Dat tovert ons een tableau voor ogen. Een moeder spreekt haar kind toe. In de slotstrofe gaat het over slaap en over een soort Klaas Vaak, `Meneer Vergeet uit het land van Vaak'. Dat maakt de voorstelling nog duidelijker. Hier probeert een moeder een kind in slaap te sussen door het verhaaltjes te vertellen.

Het is de bedoeling van slaapliedjes om geruststellend te zijn. Dus begint de moeder over een groen voetpad en een vriendelijke oude man. Ingrid Jonker is spaarzaam met interpunctie, zodat de eerste drie regels raadselachtig kunnen lijken

Op die groen voetpad

van die horison ver

om die aarde skat

– alsof schatten een werkwoord is, alsof er een afstand geschat moet worden. De moeilijkheid vervliegt als we beseffen dat schat de koosnaam is waarmee ze het kind toespeekt, net als het spiegelende my hart in de volgende strofe, wat wél voorafgegaan wordt door een komma. Liefling en my lam komen verderop ook nog voor. Er is duidelijk een liefhebbende, zeer bezorgde moeder aan het woord.

Het gaat om het groene voetpad van de horizon, ver om de aarde. Een ruimtelijk beeld uit een imaginaire wereld. De weidse horizon is het groene voetpad. Op die boog stapt de oude man die

'n oop maan dra in sy hare

– een halve maan, een volle maan? Gewoon, een open maan. Een cirkel, zoals je die op schetsen van kinderen en kunstenaars tegenkomt. Het mannetje stapt in de ruimte rond en draagt een open maan in zijn haren. Een beeld dat me onwillekeurig aan Lorca doet denken. Ingrid Jonker ging in de periode van dit gedicht (uit de bundel Rook en oker, 1963) om met Uys Krige en Uys Krige had Lorca vertaald. De suggestie van een surrealistische tekening is sterk in deze regels. De nachtegaal in het hart, de jasmijn geplukt voor het open knoopsgat.

De moeder doet haar uiterste best haar kind gerust te stellen. De nachtegaal is de vogel die het mooist zingt, de jasmijn is de bloem die het heerlijkst geurt. En krom is de oude man alleen omdat hij zo heel erg oud is.

Een slaapliedje, zo ambigu en toch zo geraffineerd. Ingrid Jonker mag de interpunctie terzijde hebben geschoven (de komma achter schat was als ietwat dramatische adempauze duidelijk onmisbaar), ze structureert er haar regels niet minder om. Je hebt de echo van man en maan. Je hebt de echo van open maan en open knoopsgat. Het wemelt in dit vrije vers zelfs van de rijmen. Voetpad, schat, wat, knoopsgat.

Het kind is nieuwsgierig geworden. Misschien is het er ook gewoon niet gerust op. De moeder vertelt verder. De man roept de krekels. De man roept de zwarte stilte die zingt zoals het riet. De man roept de sterren die tok-tok kloppen zoals de kleine kloptorren in hun ijl-verre kring. Het droomgehalte neemt toe.

Dan wil het kind weten hoe de man heet.

De man van de maannacht en de zwarte stilte door wie het in slaap moet worden gesust.

De moeder zoekt naar een naam.

Ze bedenkt Sjuut (dat is: stil, dat is: sssht...), ze bedenkt Slaap, ze bedenkt Meneer Vergeet. Is het kind ontevreden met die namen? Of heeft het nog één naam nodig om definitief in slaap te vallen?

Sy naam is toe maar

de moeder zoekt naar nóg een naam, intussen toe maar zeggend. Dat betekent niet: ga je gang, of: kijk eens aan, of een andere uitroep van verbazing, dat betekent in het Afrikaans: wees gerust, stil maar, suja. Een kalmerende kinderbezwering.

Het brengt de moeder op de definitieve naam. Ze heeft het! De donkere man heet Toemaar, de donkerman. Hij is een persoon geworden, hij heeft ineens een hoofdletter gekregen, net als Sjuut en Slaap en Meneer Vergeet.

Toemaar, de geruststelling zelf.

De donkere man die je komt halen, daar hoef je niet bang voor te zijn. Het is maar een spel van slapen en vergeten. Toemaar die donker man moet destijds een geheime snaar in het blanke Afrikaanse onderbewustzijn hebben geraakt. Er moet een grote magie van zijn uitgegaan. De donkere man als de toekomst van Afrika. Een spel van angstbeheersing en onzekerheid.

Mammie...

Het is het laatste wat we van het kind horen. Puntje, puntje, puntje. Nooit zullen we weten of het dan eindelijk in een geruste slaap is weggegleden, of dat het een laatste, opvlammende kreet van schrik is. Een schielijk inzicht, van een kind dat met grote ogen in de nacht staart.

De kracht van het gedicht is dat het de beide mogelijkheden openlaat. Een expliciete boodschap bederft een gedicht, een extra toepassingsmogelijkheid kan de werking juist vergroten.

Moeten we onbevreesd zijn? Moeten we de ogen sluiten?

De slotregel van de moeder kan tevreden klinken, vanwege de vondst van de naam, of omdat ze de geruststelling en het onbekende zo positief heeft weten te combineren. Ze kan ook berustend klinken, dof, of sibyllisch. Zelfs het laatste troetelwoord my lam laat in het midden welk aspect het meest wordt benadrukt: de kinderlijke naïveteit of het offerblok.

Ja, beetje rood haar...