Sarcofaag

Tsjernobyl is een onopvallende stad, vol mensen die zorgen dat er geen andere mensen komen: veiligheidsagenten, militairen, brandweerlieden, kantoorpersoneel, kantinedames. Auto's rijden af en aan, hier en daar wappert vrolijk de was. Zeker 10.000 mensen werken hier op de gok. Twee weken op, twee weken af, vervroegd pensioen en dubbel salaris, wie zou daar niet voor bezwijken?

Ik ben er een dag de gast van onderdirecteur Nikolaj Dmitroek van het Oekraïense ministerie voor Rampen. Hij laat me een soort gevangenispak aantrekken, en dan toont hij zijn landkaarten met weggeblazen inktvlekken, rood, geel en groen. De officiële gevarenzones zijn strakke cirkels, de werkelijkheid is grillig. Sommige `gevaarlijke' stukken blijken vrij veilig, maar in een dichtbevolkte stad als Narodigi, 70 kilometer naar het westen, is de straling net zo sterk als in Tsjernobyl. Tot nu toe zijn 100.000 mensen verhuisd, maar nog altijd moeten er zeker 200.000 weg. Er is alleen geen geld. Intussen gebeuren er vreemde dingen. Botontkalking, tbc, keelkanker en immuunziektes, de statistieken vliegen omhoog. Vrijwel alle jongeren hebben gezondheidsproblemen. Zoals Nederlandse dokters `stress' zeggen, als ze het niet meer weten, zo zeggen de artsen hier `straling'.

We rijden naar de onheilsplek, de `sarcofaag' in de volksmond. Zo ziet hij er inderdaad uit, een hoge doodskist die om het reactorpuin is heengebouwd. Een meter meldt 1,05 microröntgen. ,,Niet slecht'', zegt Dmitruk. ,,Als het stormt komen we wel op 1,5. Dan hoor je de sarcofaag al ver op de vlakte, krakend en kreunend.''