Openbaar kunstbezit is meer dan een rekensom

Er moeten duidelijke regels komen die bepalen wanneer een museum zijn kunstwerken mag afstoten, vindt F. Kuitenbrouwer.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw gaf tsaar Nicolaas I opdracht aan de Hermitage voor een schijntje ruim vijftienhonderd schilderijen te veilen die hij `van geen belang' achtte. Daaronder waren Lucas van Leyden, Chardin en nog wat topnamen. Dit soort griezelverhalen hangt als een schaduw over het opruimen van kunstwerken door openbare collecties. Deze zijn allesbehalve immuun voor de arrogantie van het afstoten. Het Haags Gemeentemuseum deed in de jaren vijftig oude stillevens in de verkoop omdat de directie meer zag in moderne kunst. Zo verloor Den Haag een Abraham van Beijeren en een zeldzaam juweeltje van Adriaen Coorte.

Staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) ziet voordelen in een actief selectiebeleid, zo liet hij deze week weten tijdens het congres `Grenzen aan de groei' in Amsterdam. Alleen al de rentekosten van de kunst in de depots vormen een stimulans. Voor een schilderij dat nu een miljoen gulden waard is gaat het (met een rente van 5 procent) om zo'n 50.000 gulden per jaar, zo rekende hij voor. Openbaar kunstbezit is echter méér dan een rekensom. De economisch deskundige bewindsman voelt dat ook wel aan, want hij heeft het Instituut Collectie Nederland (ICN) gevraagd een `leidraad' voor het afstoten van museale objecten te ontwikkelen die op het congres aan de museumwereld werd gepresenteerd.

De museumwereld zelf is al aardig bezig. Uit een ICN-enquête blijkt dat zeventig van de honderd aangeschreven instellingen op de een of andere manier doen aan selectie en afstoten, al mag dat vaak niet zo heten. Het taboe op het wegdoen van kunst is nog wel zo groot dat men de voorkeur geeft aan eufemismen als `herschikking', `uitplaatsen' of `omvorming tot courante collectie'. Het kind dient echter bij zijn ware naam te worden genoemd, want de inzet van het moderne selectiebeleid blijft het openbaar kunstbezit, een gemeenschappelijk erfgoed waarover niet zomaar kan worden beschikt.

Het verkopen van kunstwerken uit museale collecties ,,moeten we eigenlijk niet willen maar we moeten het wel regelen'', zei directeur John Leighton van het Van Gogh-museum twee jaar geleden op een andere conferentie. Dat regelen blijkt eenvoudiger gezegd dan gedaan. Zelfs in de Verenigde Staten, waar afstoten een geaccepteerd onderdeel vormt van het museale beleid, trekken juristen in de vakliteratuur weinig opbeurende vergelijkingen. Afstoten is ,,een marshmellow, zacht van buiten maar kleverig als je erin prikt''. Afstoten is ,,een modderig hoekje van het recht waar sommige postiljons proberen veel te hard doorheen te rijden.''

De nu gepresenteerde concept-leidraad voor het afstoten sluit aan bij de herziene Gedragslijn voor de museale beroepsethiek van de Nederlandse Museumvereniging (NMV). Gedragscodes zijn er in soorten en maten, variërend van regels met vooral een public relations-effect tot een wettelijk opgetuigde toetsing zoals het medisch tuchtrecht. Hoe sterk is de museumcode? Marshmellow is niet zo'n slechte karakteristiek, afgaande op de analyse van de hoogleraar informatierecht Egbert Dommering, lid van de ethische commissie van de NMV. Hij betitelt de museale gedragslijn als ,,zwak, een mooi-weer code''. Een omhaal van woorden moet een gebrek aan overeenstemming verhullen.

Dat geldt helemaal voor de leidraad, die in elk geval de verdienste heeft dat hij de dilemma's indringend schetst. Tegenover het gebrek aan inhoudelijke of esthetische kwaliteit van objecten staat het risico van `geheugenverlies' (collecties hebben een historie met een eigen betekenis). Het `voorzichtigheidsprincipe' (het depotstuk van vandaag is wellicht het topstuk van morgen) moet worden afgewogen tegen gebrek aan publieke, wetenschappelijke of emotionele belangstelling voor bepaalde objecten. Er is natuurlijk wel enig houvast, want selectiebeleid veronderstelt de aanwezigheid van een deugdelijk collectieplan. De waarde van moderne ,,mission statements'' is echter relatief, afgaande op de voordracht van directeur T. Besterman van het Manchester Museum. Hij vertelde het congres dat het beleidsstuk van zijn instelling binnen tien jaar al enkele malen is herzien. Dat is een wel zeer dynamische opvatting van verzamelgeschiedenis. Toch is de Britse museumcode gebaseerd op een formele presumptie (rechtsvermoeden) dat afstoten níet moet. De bewijslast ligt met andere woorden vierkant bij de afstoters. Die stap maakt de Nederlandse leidraad niet. Des te meer van belang is de procedure voor afstoting. Maar ook daarover verschaft de leidraad weinig uitsluitsel. Moet iedere beslissing worden voorgelegd aan het bestuur of stelt dit alleen een plan van aanpak vast? Wanneer is een second opinion nodig? Telt de mening van vrienden en begunstigers van de musea?

Er is nog een extra manier om een forum te bieden voor de dilemma's van het selectiebeleid: de ethische commissie van de museumvereniging. Deze is op het moment onderbenut terwijl hij juist het gevoelige element van toetsing in het museumbeleid kan versterken. Niet als een tuchtraad met sancties, maar als een `raad van opinie' die helpt gezaghebbende beroepsnormen te ontwikkelen aan de hand van concrete controverses. De museumwereld vraagt om sluitende regels. Wie wil dat niet? De gevraagde vastigheid is echter voornamelijk een illusie. Zo'n code en leidraad zijn óf te vaag en te vrijblijvend óf ze zijn zo gedetailleerd en selectief dat ze verstarrend werken. Een goede en open geschillenregeling zet pas echt zoden aan de dijk.

F. Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.