Nederland aan het einde van de eeuw

In 1900 telde Nederland 5,14 miljoen inwoners en had de economie een omvang van 1,6 miljard gulden. Aan het einde van de eeuw telt Nederland 15,8 miljoen mensen en is de nationale economie gegroeid tot 616 miljard gulden. Ruwweg is de bevolking drie keer zo groot geworden en het netto binnenlandse product nominaal 371 keer toegenomen. Door de geldontwaarding (een gulden van toen had meer koopkracht dan een gulden van nu) is de werkelijke economie per hoofd van de bevolking tussen 1900 en 1999 vijfeneenhalf keer gegroeid.

Deze cijfers, ontleend aan het CBS (waarbij in verband met de vergelijkbaarheid van de cijfers uit 1900 is uitgegaan van het netto binnenlandse product – dat wil zeggen het bruto binnenlands product zonder afschrijvingen), illustreren de welvaartsstijging die Nederland in de 20ste eeuw heeft doorgemaakt. Drie keer zoveel mensen zijn gemiddeld vijfeneenhalf keer welvarender. En dat in de eeuw die begon met een uitgebuite arbeidersklasse en een verpauperde plattelandsbevolking, de eeuw van het isolement tijdens de Eerste Wereldoorlog, de grote depressie, de vernietigingen van de Tweede wereldoorlog, de soberheid van de wederopbouw, de `grenzen aan de groei' van de jaren zeventig en de vastgelopen welvaartsstaat van de jaren tachtig.

Deze eeuw heeft op economisch terrein immense veranderingen te zien gegeven met als eclatante resultaten de vermindering van de armoede, de stijging van het besteedbare inkomen en de massificatie van de welvaart. De Armoedemonitor 1999 van het SCP en CBS die onlangs uitkwam, constateert droogjes: ,,Van de personen van vijftien jaar en ouder behoorden vier van de vijf in het onderzochte tijdvak (1989-1997) nooit tot een huishouden met een laag inkomen. Een relatief kleine groep (3%) had in het tijdvak van negen jaar voortdurend een laag inkomen. (Deze groep) telt 220.000 personen.'' Ik heb geen cijfers voor 1900 beschikbaar, maar het lijkt me niet overdreven te veronderstellen dat de groep mensen in absolute armoede toen dramatisch groter was.

Wat is nog meer veranderd deze eeuw? Nederland is van een overwegend agrarisch land met een rijke handelstraditie en een laat opgekomen industrie uitgegroeid tot een hoogwaardige industriële en diensteneconomie. De gemoderniseerde landbouwsector is drastisch ingekrompen en heeft, wat het traditionele `gemengde bedrijf' op de zandgronden betreft, zijn langste tijd als intensieve varkens- en pluimveehouderijen gehad. De schoorsteenindustrieën – textiel, scheepsbouw, steenkolenmijnen – zijn in de jaren zestig en zeventig ten onder gegaan. Daarvoor in de plaats is een bescheiden high tech-industrie gekomen (spin offs van Philips in de Eindhovense regio, nieuwe bedrijvigheid rond de Technische Universiteit Twente). Maar een Silicon Valley in de polder komt in Nederland nog maar moeizaam van de grond, ook al doet staatssecretaris Van der Ploeg lovenswaardige pogingen in die richting.

De jaren negentig hebben misschien wel de grootste veranderingen van deze eeuw te zien gegeven. Het afscheid van het naoorlogse model van staatsgestuurde economische ontwikkeling, de liberalisering van de `markt' en de terugdringing van de verzorgingsstaat hebben tot een enorme dynamiek geleid. In snel tempo is het collectieve aandeel in de economie teruggebracht tot onder de vijftig procent. Nog niet zo lang geleden was sprake van een ondergrens van minimaal zestig procent collectiviteit, maar die is lang ingehaald.

De dynamiek komt uit de dienstensector, de verplaatsing van lucht, licht en elektronische blips. Nederland is de thuisbasis van financiële conglomeraten, een handvol grote multinationals, een bloeiend midden- en kleinbedrijf, het land van organisatie-adviseurs en consultants. Hoge inkomens, dure huizen, beleggingen op de beurs, optieregelingen: het kan allemaal. Het Embarassment of Riches waarmee de Britse historicus Simon Schama de calvinistische welvaartsbeleving van Nederland in de Gouden Eeuw beschreef, heeft plaatsgemaakt voor een ostentatief vertoon van rijkdom.

Ieder voordeel heeft zijn nadeel. Zo ook de economische bloei. Onder de druk van het moderne werk lijden steeds meer mensen aan RSI (`muisarm') en het `burned out'-syndroom. Verder staat de file symbool voor deze tijd. Het wegennet kan de tweeverdieners met banen, kinderen, hobby's en auto's niet aan. Terwijl vrijblijvend wordt gefilosofeerd over zweeftreinen naar het noorden, gebeurt niets aan het openbare vervoer van het dichtst bevolkte, economisch sterkste en meest dichtgeslibde deel van Nederland: de Randstad. Files zijn er in vele vormen. In de gezondheidszorg heten ze wachtlijsten, in de verwerking van asielzoekers uitpuilende opvangcentra, in de sociale zekerheid staan ze bekend als de kaartenbak met inactieven.

In al deze gevallen gaat het om tekortschietend beleid van de overheid. Dat is de paradox van deze eeuw. Overheidsingrijpen heeft het kapitalisme getemd en bijgedragen aan de groei en spreiding van welvaart. Maar op de drempel van de 21ste eeuw zijn de vlaggenpaaltjes van het speelveld verzet. De `nieuwe economie' van de globalisering en informatie- en communicatie-technologie is de triomf van de particuliere sector. Het bedrijfsleven bevindt zich in een stroomversnelling. De private sector en de particuliere vermogensvorming zingen zich los van de maatschappelijke omgeving. De overheid is bezig zich terug te trekken uit de commandokamers van de economie en richt zich meer en meer op de regulering van en het toezicht op de markt. De politieke klasse blijft beduusd achter.

Dat vraagt om een bezinning op de toekomst van het publieke bestel in het tijdsgewricht van de `nieuwe economie' in de eeuw die over 29 dagen begint.

rjanssen@nrc.nl