Misleidend lastencijfer

De economische wedijver tussen industrielanden spitst zich toe op het aantrekken van nieuwe investeringen en de daarmee samenhangende groei van het aantal banen. In aanvulling daarop proberen veel landen spaarders te lokken met allerlei gunstige fiscale regelingen. Het diepgaande meningsverschil tussen de lidstaten van de Europese Unie over invoering van een `bronheffing' op rente is hiervoor illustratief. Het voorstel van de Europese Commissie om de banken bij uitbetaling van rente meteen twintig procent belasting te laten inhouden lijkt kansloos, gezien het sterke verzet van Engeland en Luxemburg. De Engelsen vrezen voor de positie van Londen als financieel centrum, Luxemburg geniet wijd en zijd faam als vluchthaven voor belastingontduikers uit omringende landen, Duitsland voorop. De Commissie heeft zich nog in een ander wespennest gestoken. Landen zouden zich bij pogingen investeerders te werven moeten houden aan een Gedragscode die schadelijke vormen van belastingconcurrentie tegengaat. Een werkgroep heeft inmiddels een lijst met schadelijk geachte regelingen opgesteld. Nederland prijkt hoog op die lijst. Verrassend genoeg ontbreekt daarop zowel Engeland als Frankrijk, landen die naar algemene opvatting eveneens boter op hun hoofd hebben. Dit valt beter te begrijpen voor wie weet dat de lijst met schadelijk geachte regelingen is opgesteld door een groepje dat werd gedomineerd door Engelse en Franse ambtenaren. Over de lijst viel verder niet te discussiëren. Tegen deze gang van zaken heeft Nederland kortgeleden fel protest aangetekend. Zulke incidenten laten afdoende zien dat het er bij de fiscale concurrentiestrijd heet aan toe gaat. Zij tonen aan – voor wie daarvan nog niet was overtuigd – dat nationale belangen in de Europese Unie doorgaans domineren, waarbij met name kleine landen op hun tellen moeten passen.

Bij de weinig verheffende taferelen die zich rondom de grote fiscale dossiers afspelen, zijn burgers en bedrijven die hun belastingdruk wensen te minimaliseren lachende derden. Investeerders die op zoek zijn naar een vestigingsplaats binnen de Europese Unie kunnen nationale overheden tegen elkaar uitspelen bij hun klopjacht op zoveel mogelijk fiscale en andere douceurtjes. Wie langs legale weg het onderste uit de kan willen hebben, dienen een diepgaande analyse te (laten) maken van mogelijkheden die nationale belastingstelsels bieden.

In de praktijk spelen veeleer simpele en dus misleidende kengetallen een hoofdrol. Als thermometer voor het fiscale klimaat in een land wordt vaak het belastingpeil gebruikt. De totale opbrengst van alle belastingen, inclusief premies voor de verplicht gestelde sociale verzekeringen, wordt hiertoe uitgedrukt als percentage van de waarde van het bruto binnenlands product (bbp). In 1997 – het laatste jaar waarvoor definitieve cijfers beschikbaar zijn – slorpte de overheid in Zweden bijna 52 procent van het bbp op voor de financiering van overheidsuitgaven en sociale uitkeringen. Rode lantarendrager op de lastenlijst van de OESO-landen is Mexico. Hier bedraagt de opbrengst van belastingen en premies niet meer dan zeventien procent van het bbp.

In de loop van de jaren negentig is Nederland een aantal plaatsen gezakt. Het staat nu op de tiende plaats. Sommige waarnemers zien hierin een aanwijzing dat onze fiscale concurrentiepositie in de wereld is versterkt. Dat is echter zeer de vraag. De daling van het lastenpeil is mede veroorzaakt door de gedeeltelijke privatisering van de sociale zekerheid. Wanneer hun werknemers ziek worden, zijn werkgevers tegenwoordig verplicht het loon gedurende een vol jaar door te betalen. Voordien was dit risico collectief verzekerd. De premies voor de Ziektewet telden mee als collectieve lasten en stuwden de lastendruk op. Na de privatisering van dit sociale risico in 1996 is de belasting- en premiedruk gezakt, omdat de ziektewetpremie wegviel. De loonkosten zijn uiteraard veel minder gedaald dan de statistiek suggereert, omdat werkgevers het loon van zieke werknemers nu uit eigen zak moeten doorbetalen, of het ziekengeldrisico bij een particuliere verzekeraar moeten onderbrengen.

In feite is een internationale vergelijking van het belastingpeil ondoenlijk. Naarmate nationale overheden meer subsidie-uitgaven omzetten in fiscale tegemoetkomingen, zakken het uitgaven- en het belastingpeil gemeten als percentage van het bbp, zonder dat dit voor de betrokken burgers en bedrijven een snars uitmaakt. Economisch gezien staan de nieuwe belastingvoordelen op één lijn met de vroeger ontvangen subsidie. Politici die beseffen hoe gevoelig het bedrijfsleven, de kiezers en de media zijn voor een stijgend lastenpeil, zijn daarom kien op invoering van belastinguitgaven wanneer zij bepaalde activiteiten financieel wensen te steunen.

Het belastingpeil van een land is nog om een andere reden een misleidende grootheid. In Nederland betalen uitkeringsontvangers loonbelasting en hoge sociale premies over hun uitkering (alleen de kinderbijslag is belastingvrij). Zou de overheid alle uitkeringen belastingvrij verstrekken, dan zakken uitgaven- en lastenpeil in één klap met zes procent van het bbp, zonder dat iemand er netto beter of slechter van wordt. Maar bij een internationale vergelijking duikelt Nederland nog eens vijf plaatsen op de lastenlijst. Anders gezegd, na correctie voor het feit dat uitkeringsontvangers in Nederland veel meer belasting en premie afdragen dan doorgaans in andere landen het geval is, blijken ondernemers en werkenden in ons land in verhouding betrekkelijk weinig aan de fiscus af te dragen. Die boodschap komt niet altijd gelegen, maar zij is daarom niet minder waar.