Kernwapens, oorlogsrecht en geweten

Weinig onderwerpen brachten in de jaren '80 zoveel mensen op de been en zoveel pennen in beweging als de voortschrijdende nucleaire bewapening. De polemoloog B.V.A. Röling betoogde in 1981 respect te hebben voor de opvatting dat het atoomwapen desnoods eenzijdig moest worden afgeschaft maar stond zelf op het standpunt dat, gegeven de omstandigheden, het gerechtvaardigd was het bezit van atoomwapens te handhaven als voorwaarde voor onderhandelingen over gezamelijke wapenbeheersing.

Het is geen wonder dat kernwapens tot gewetensproblemen leiden. Het gaat om afzichtelijke wapens van een onvoorstelbare weerzinwekkendheid. Men kan zich erover verbazen dat ze destijds vrijwel zonder schokken zijn aanvaard. De angst heeft daarbij een rol gespeeld. Bij het maken van de atoombom de angst dat Hitler vóór zou zijn; bij het invoeren van de nucleaire wapens in het Amerikaanse wapenarsenaal de angst voor de Sowjet-Unie. De doctrine van de `massale vergelding' op steden werd, blijkbaar zonder gewetensproblemen, door Foster Dulles – die zich in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zo uitdrukkelijk beriep op zijn christelijke politiek – ingevoerd. Eisenhower vond in de daarmee verkregen machtspositie aanleiding om de conventionele sterkte met 400.000 man te verminderen.

De weerzinwekkendheid van atoomwapens, hun onverenigbaarheid met `de wetten der menselijkheid en de eisen van het publiek geweten' vormen één aspect van het ethisch probleem. Het andere aspect wordt gevormd door de vernietigingskracht van het atoomwapen. Daarbij is door de straling nauwelijks onderscheid mogelijk tussen militairen en burgers, tussen oorlogvoerenden en neutralen, tussen de huidige generatie en het nageslacht. Bij een totale nucleaire oorlog kan alleen totale vernietiging het resultaat zijn. In het slotdocument van de speciale ontwapeningszitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (1978) wordt vastgesteld: `Bestaande voorraden atoomwapens alleen al zijn meer dan voldoende om alle leven op aarde te vernietigen.'

In een recente studie over de te verwachten uitwerking van een nucleaire oorlog staat dat bij één beperkte aanval met strategische nucleaire wapens meer dan honderd miljoen doden te verwachten zijn. Als men de beschrijvingen leest over het gevolg van aanvallen met een bepaald aantal megaton-wapens, is het onbegrijpelijk dat soms zo lichtvaardig gepraat wordt over een atoomoorlog. J.L. Heldring sprak over de `bezorgden' als lijders aan atoomneurose. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, generaal Haig, meende ten overstaan van de Senaat: `Er zijn dingen waard om voor ten oorlog te gaan'. Het lijkt mij dat zulke uitlatingen een gebrek aan verbeeldingskracht tonen. Bij Haig is er waarschijnlijk ook een andere reden voor zijn lichtzinnige praat. Hij bedoelde waarschijnlijk de `beperkte oorlog', de atoomoorlog waarbij de `central systems' de in Amerika en de Sowjet-Unie opgestelde strategische atoomwapens, niet zouden worden ingezet. Omdat zo'n oorlog in Europa zou worden uitgevochten, kan een Amerikaan daarover natuurlijk iets gemakkelijker spreken. Europa is nu eenmaal, wat Howard noemde `het meest gevoelige contactpunt tussen de twee supermachten'. Bij zo'n oorlog in Europa zouden alleen de meer dan 10.000 tactische atoomwapens worden ingezet, die in Europa bij Oost en West beschikbaar zijn. Het verdedigen van West-Europa met atoomwapens zou de vernietiging van West-Europa met zich meebrengen. Zo'n totale vernietiging als gevolg van het gebruik van kernwapens is in strijd met de gedachte van rentmeesterschap, de gedachte van de verantwoordelijkheid die de mensheid heeft voor het geschapene.

Er is een bijzondere kant aan de ethische problematiek van de kernwapens. Dat bijzondere en tegelijk verwarrende aspect vindt zijn grond in het feit dat het hebben en eventueel gebruiken van atoomwapens wordt gemotiveerd met het handhaven van de vrede. De wapens beogen door afschrikking de oorlog uit te sluiten. Vandaar het devies van het Strategic Air Command: `Peace is our Profession'. Het doel is van hoog ethisch gehalte, het middel is ethisch verwerpelijk. Zó verwerpelijk dat het onze op de menselijke waarde afgestemde cultuur ondermijnt.

Het doel is goed, het middel is verwerpelijk. Heiligt het doel de middelen? Het is een oud twistpunt in de ethiek. Maar het kan niet worden ontkend dat verwerpelijke middelen, in dienst van een goed doel, in een ander licht komen te staan, zeker als dat doel te maken heeft met het voortbestaan van de mensheid. Het doel van het bezit van kernwapens is voor menigeen tweeledig: handhaven van de vrede door afschrikking, en het scheppen van de voorwaarde voor gemeenschappelijke wapenbeheersing en ontwapening. Over deze twee verschillende doeleinden, die enigszins met elkaar in strijd kunnen komen, enkele opmerkingen.

Voor menigeen wordt de ethische rechtvaardiging van het bezit van kernwapens, en het dreigen daarmee, gevonden in de overtuiging dat door het bestaan van die wapens de vrede wordt bevorderd, zo niet verzekerd. De gedachte dat de oorlog zou verdwijnen door de vernietigende kracht van de wapens, is oud. Zij leefde vooral in de negentiende eeuw, toen nog onvoorwaardelijk werd geloofd in de zegeningen van de techniek, hetgeen leidde tot de overtuiging dat niet alleen welstand, maar ook vrede door middel van technische vooruitgang tot stand gebracht zou kunnen worden. [...]

Maar is het oorlogsgevaar nu verdwenen? Zeker, de supermachten zijn voorzichtiger geworden. De gedachte dat de één de ander zou aanvallen in een welbewust overwogen en begonnen oorlog, is absurd. Oorlog in de zin van Von Clausewitz: `de voortzetting van de politiek met andere middelen' tussen de grote militaire blokken, lijkt in het atoomtijdperk uitgesloten. Maar wél is er de wapenwedloop, wél is er de riskante buitenlandse politiek, wél is er de bereidheid om tegen kleinere staten geweld te gebruiken (Afghanistan), of geweldsmiddelen voor zo'n gebruik in gereedheid te brengen (de `rapid deployment forces'). Dat leidt vroeg of laat onherroepelijk tot militaire confrontatie van de supermachten, via een uit de hand gelopen crisis, misverstanden, foute waarnemingen of falende communicatie. [...]

De technologische/militaire ontwikkeling heeft nog een afgeleid ethisch probleem opgeroepen. In SALT-I verbonden de partijen zich om af te zien van de opbouw van een effectief anti-raketstelsel. Daarmede werden de steden wederzijds opengehouden voor vernietiging, ten bate van de `mutual assured destruction', ten bate dus van de vrede. De bevolkingen werden zo tot gijzelaar gemaakt voor het goed gedrag van hun regeringen. Tot het midden van de achttiende eeuw werden gijzelaars uitgewisseld om verdragsnaleving te waarborgen. Meestal waren het koningskinderen. Men zou in SALT-I een soort democratisering van de gijzelaarsgedachte kunnen zien: geen koningskinderen, maar de kinderen van de grote steden vormen het onderpand.

Maar geleidelijk groeide het inzicht in de gevolgen van het inzetten van strategische wapens als antwoord op agressie van één van de partijen. Honderden miljoenen doden! Wie zou daar de verantwoordelijkheid voor willen nemen? Het is daabij praktisch van grote betekenis dat er een scherpe grens is tussen de in SALT-I geregelde `strategische wapens', de `central systems' en alle andere atoomwapens. Wie zal durven die grens te overschrijden? Kissinger wees er in zijn rede te Brussel (september 1979) op, dat men het inzetten van de wapens niet van Amerika mocht verwachten. Op dezelfde basis argumenteerde Breznjev in zijn rede te Berlijn: als ooit eurostrategische wapens tegen de Sowjet-Unie zouden worden gebruikt, zou het bommen regenen op Europese staten. Hij dreigde dus niet met bommen op Amerika, hetgeen voor de hand zou liggen nu het bij eurostrategische wapens gaat over Amerikaanse wapens, onder Amerikaans bevel, bediend door Amerikanen. Zo'n Russische dreiging zou immers, gezien de kans op honderd miljoen doden in eigen land, ongeloofwaardig zijn. [...]

Is het ethisch verantwoord wapens op te stellen met het doel ze ook in het gevecht te gebruiken, ook als eerste, als die wapens het grote risico meebrengen van de totale vernietiging van Europa? Het gaat hier om `counter force' wapens. Als zodanig zijn ze minder immoreel dan de wapens gericht op vrouwen en kinderen. Maar het gaat wel om wapens die in het dichtbevolkte Europa, als `bijkomstige schade' de burgerij vernietigen. En die tevens de wapenwedloop bevorderen, het streven naar superioriteit aanwakkeren, en de gelegenheid bevorderen voor een succesvolle verrassingsaanval en zelfs voor een `disarming first strike capability'. Uit polemologisch gezichtspunt is de wijziging van de functie van de atoomwapens van `zuivere afschrikkings'-wapens tot gevechtswapens een zorgwekkende ontwikkeling.

In dit verband wordt ook van belang wat het volkenrecht zegt van atoomwapens. Er bestaat immers het oorlogsrecht, dat bepaalde wapens of bepaald wapengebruik verbiedt. Het is gebaseerd op de grondregel geformuleerd in artikel 22 van het Landoorlogreglement (1899, red): `Het recht van oorlogvoerenden om de vijand schade toe te brengen is niet onbeperkt.' [...]

Hoe staat men in het nu geldende volkenrecht tegenover de al dan niet toelaatbaarheid van atoomwapens? Voor de gewetensproblematiek is het van belang aandacht te vragen voor het feit dat de meningen op dit punt verschillen. Twee tegengestelde opvattingen kunnen met klem van argumenten verdedigd worden. De ene opvatting is: de atoomwapens zijn niet verboden in het oorlogsrecht. Immers er heeft geen toetsing plaatsgevonden, zoals in St. Petersburg (bij de opstelling van de Declaratie van St. Petersburg in 1868, red.) afgesproken. De leidende naties gaan in hun militaire planning uit van de toelaatbaarheid; er is sprake van een rechtscheppende gewoonte. De andere opvatting is dat de atoomwapens behoren tot de verboden wapens. Ook daar zijn sterke argumenten voor te geven. Vanzelfsprekend betekende het gebruik van de atoombommen op Hirosjima en Nagasaki een oorlogsmisdrijf. Het was oorlogvoering tegen de burgerbevolking op zijn ergst. Terecht werd in het Sjimoda-vonnis het gebruik onrechtmatig genoemd, niet omdat het ging om atoombommen, maar omdat het een aanval betekende op de burgerbevolking.

Maar ook A-wapengebruik tegen militaire doelen kan onrechtmatig geacht worden, omdat het gaat om niet-discriminerende wapens, en omdat het gaat om `excessief lijden'. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft deze conclusie verschillende malen in krasse termen onderschreven. [...]

Menigeen zal betogen: alles goed en wel met de verklaringen en VN-resoluties, maar deze resoluties hebben geen juridisch bindende kracht. Zij zijn slechts `aanbevelingen'. Dat is ongetwijfeld waar. De Algemene Vergadering is geen wereldwetgever. Maar de door haar vastgestelde normen zijn meer dan niets, al zijn ze minder dan wetgeving. Het gaat hier om zwakke normen, vergelijkbaar met die geformuleerd in de resoluties van de Volkenbond. Daarom werden de resoluties van de Volkenbond omtrent de `crime against peace' in de vonnissen van Neurenberg en Tokyo als argument gebruikt voor het oordeel dat hier volkenrechtelijk sprake was van een misdrijf. Voor ons is van belang dat men te goeder trouw en gemotiveerd, tot de overtuiging kan komen dat atoomwapens volkenrechtelijk verboden wapens zijn. En dat een oorlog die met deze wapens gevoerd wordt niet is een `bellum justum' (een oorlog die mag gevoerd worden, een oorlog die gerechtvaardigd en toegestaan is). [...]

Een geheel andere vraag is of de ethische verwerping van het atoomwapen, en het daarop gegrond atoompacifisme, al dan niet de kansen op een atoomoorlog vermindert. Zal daardoor de oorlogskans verminderen? Zal daardoor de mogelijkheid groter worden dat algemene atoomontwapening wordt verwerkelijkt? Als we de tegenwoordige wapensituatie bezien, moeten we concluderen dat we beland zijn in de fase van de onbruikbare wapens; gebruik (daaronder te verstaan, in overeenstemming met het gangbare spraakgebruik, het inzetten in de strijd) zou tot wederzijdse vernietiging leiden. Moeten we ze daarom maar eenzijdig afschaffen? Als we dat doen maken we de wapenmacht van de tegenpartij weer bruikbaar. Het zou leiden tot volstrekte overmacht van de tegenstander. En dat is geen aantrekkelijk vooruitzicht. De geschiedenis leert immers dat een staat zich gemeenlijk misdraagt naar de mate van zijn macht. Macht leidt gemakkelijk tot misbruik van de macht. Zij leidt, merkwaardigerwijze, ook meestal tot de opvatting dat men, beter dan de zwakke, weet wat goed is voor de wereld.[...]

Vandaar de noodzaak van bewapening, om de wapens van de mogelijke tegenstander onbruikbaar te houden. Hier ligt de kern van het wapenprobleem; we leven in een tijd van onbruikbare maar onmisbare wapens. Dat heeft grote invloed op de functie van de militaire macht. Die functie is, in vergelijking met vroeger, door de onbruikbaarheid van de wapens gereduceerd. Zij bestaat, redelijkerwijs, nog slechts in het onbruikbaar houden van de wapenmacht van de ander. Maar daarvoor is wapenmacht nodig, eventueel atomaire wapenmacht. Als door een zeker machtsevenwicht de onbruikbaarheid, wederzijds, van de wapens is gehandhaafd, bestaat er voor alle betrokkenen een belang bij gezamenlijke wapenbeheersing en wapenvermindering. De wapenwedloop die alleen al door de technologie op gang blijft, dreigt de onveiligheid telkens te vergroten. Vandaar die wederzijdse behoefte aan wapenbeheersing, die slechts dan wederzijds is als beide partijen over wapenmacht beschikken. [...]

Mijn conclusie is als volgt. De volstrekte verwerping van het atoomwapen naar de normen van de ethiek, leidend tot het streven naar desnoods eenzijdige afschaffing, en weigering om iets met nucleaire militaire dienst van doen te hebben, is begrijpelijk, verdedigbaar en respectabel.

Maar ook het polemologische standpunt dat men zich, gegeven de omstandigheden, voorlopig gerechtigd kan achten het bezit van atoomwapens te handhaven, als factor van machtsevenwicht en als voorwaarde en uitgangspunt voor onderhandelingen over gezamenlijke wapenbeheersing en wapenvermindering, is begrijpelijk, verdedigbaar en respectabel.

Persoonlijk kies ik met volle overtuiging voor dat tweede standpunt. Het brengt wel de plicht met zich mee om oprecht te streven naar wapenbeheersing en ontwapening. Dat laatste is in de afgelopen 35 jaar niet gebeurd. Alva Myrdal heeft gelijk als zij stelt dat de supermachten geen wezenlijke wapenvermindering willen. Zij willen hun supermacht-positie, die mede door wapenmacht wordt bepaald, niet prijsgeven. Zij zullen in de toekomst daartoe door de gezamenlijke andere staten moeten worden gedwongen. De kleinere staten hebben op dit punt een historische taak te vervullen. Ze kunnen dat in de Verenigde Naties door beginselen en normen te ontwikkelen die de nationale wapenvrijheid beperken. Zij kunnen er binnen NAVO en Warschau-pact aan werken en die bondgenootschappen instrumenten van detente en wapenbeheersing te laten worden.

Geen kleine opgaaf! Zeker niet als we de desastreuze opvattingen zien van de huidige Amerikaanse en Engelse regering. Wellicht dat de actie allereerst zal moeten uitgaan van de allerkleinsten. Hoe dan ook, er zal niet vergeten mogen worden dat constante constructieve actie van de kleinere NAVO-leden voorwaarde is om met een goed geweten deel uit te maken van de alliantie. De kans van slagen van zo'n actie, waarbij dus welbewust de satelliet-positie wordt verworpen die men zovele jaren heeft ingenomen, wordt bevorderd door het groeiend inzicht dat Europa het meest bedreigde gebied van de wereld is. Het kan niet anders, of dat inzicht zal steeds meer toenemen, en ook de houding van andere Europese staten beïnvloeden. Kortom, ieder van ons deelt de weerzin tegen het atoomwapen. De meningen omtrent de eisen die het geweten in deze stelt verschillen. Zij verschillen ook omtrent de beste wijze waarop deze wapens kunnen worden teruggedrongen en uitgeschakeld. De keuze is een kwestie van tact, een tact die, juist wegens het weerzinwekkend karakter van de nucleaire wapens, in strijd kan lijken met de strenge eisen van de individuele ethiek.

B.V.A. Röling was hoogleraar volkenrecht en directeur van het Polemologisch Instituut te Groningen. Dit is de elfde aflevering van een serie waarin uit alle decennia van de afgelopen eeuw een voor dat decennium kenmerkend artikel wordt gepubliceerd.

© Socialisme en Democratie.