Hommage aan het persoonlijke

Helaas worden hoogstpersoonlijke documentaires zelden gemaakt door oudere, door het leven gelouterde filmmakers, puttend uit rijke ervaring. Het zijn juist meestal beginnende filmmakers die het eigen wedervaren breeduit en schaamteloos etaleren. Het radicaalste voorbeeld sinds jaren is Pappa och jag (Pappa en ik) van de Zweedse Linda Västrik. In deze, in het First Appearance-programma van het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) vertoonde video laat ze zichzelf zien, proberend een gesprek te voeren met haar verwekker. Die voelt daar weinig voor, zodat we de filmmaakster aan het eind in tranen aan de telefoon zien. Heel zielig. Helaas hebben we als toeschouwer al na de eerste dertig seconden het idee, dat je deze griezel als vader beter kwijt dan rijk kunt zijn, hetgeen het spanningsverloop van het werkstuk geen goed doet.

Ook weinig poging tot opsmuk doet de Sloveense Maja Weiss in Cesta bratstva in enotnosti (Weg van broederschap en eenheid). De video behelst een al te losjes vormgegeven rondrit door de republieken van ex-Joegoslavië, om eens te zien hoe een en ander er aan het eind van de burgeroorlog uitziet. Ook zielig. Dat de jury voor de Zilveren Wolf, de videoprijs op het IDFA, Weiss' film heeft genomineerd, wekt enige bevreemding.

Dan liever de video Les enfants du Borinage, Lettre à Henri Storck van de Belg Patric Jean, eveneens genomineerd. In deze hommage aan de eerder dit jaar overleden Belgische filmmaker Storck keert Jean terug naar de Borinage, de Belgische mijnstreek waar Storck met Joris Ivens in 1933 de beroemde film Misère au Borinage draaide.

Net als zijn grote voorbeeld bedoelt Les enfants du Borinage niet zozeer een beschrijvende documentaire te zijn, maar een politiek pamflet. Nu Marx en Lenin, in 1934 nog goed voor een stralende toekomst, het lokale proletariaat zijn ontvallen lijken de armste inwoners in de Borinage tot zelfverwijt vervallen, laat Jean zien. De film is ook een aanklacht tegen honderd jaar onafgebroken socialistisch bestuur ter plaatse.

Zo'n politieke aanpak zou op het IDFA van tien jaar geleden, toen Marx en Lenin nog een partijtje meebliezen, vermoedelijk nauwelijks zijn opgevallen maar mag in het huidige, apolitieke klimaat in de documentaire filmwereld verfrissend heten. Helaas blijven de filmerskwaliteiten van Patric Jean achter bij zijn politieke bedoelingen. Zeker heeft hij schokkende armoede betrapt, maar grote delen van de film zijn oninteressant en verward.

Het lijkt vanavond spannend te zullen worden, als op het IDFA bekend gemaakt wordt welke van de drie genomineerde films de Joris Ivens Award, voor de beste film krijgt: André Hazes, Zij gelooft in mij van John Appel, Del Olvido no me acuerdo van de Mexicaan Juan Carlos Rulfo of Crazy English van de Chinees Zhang Yuan. Anders dan in andere jaren heeft de internationale jury zich niet een eenvoudige uitweg geboden door een politiek correcte film voor alle gezindten te nomineren. Met name de beide buitenlandse inzendingen zijn eigenzinnige films, waarvan de bekroning ook kritiek zal oproepen. Krijgt het twaalfde IDFA, vermoedelijk niet de inhoudelijk sterkste aflevering, toch een waardig slot.