Eens stroomde er bloed door de wadi

Ali Djaraad zegt dat hij 130 jaar is, ,,geen jaar meer en geen jaar minder''. Hij zit leunend tegen het kleine moskeetje van Dana, zijn kleren zijn rafelig, de eens witte hoofddoek ziet grijs van het stof en hij paft sterk riekende Turkse tabak uit een pijp waarvan de steel half afgebroken is. Als hij grijnst zijn z'n tanden op de vingers van één hand te tellen.

Een paar dorpsbewoners zijn erbij komen zitten om te horen wat de oude man vertelt. Er wordt ongelovig gekeken als hij opschept over zijn hoge leeftijd, die hij bereikt zegt te hebben op een dieet van brood, yoghurt, olijfolie, fruit en hard werken. Maar men vergeeft hem graag dat hij misschien overdrijft, want zijn verhalen zijn kleurrijk en een kern van waarheid zal er vast wel in zitten.

Het kan best dat Ali de honderd is gepasseerd, want hij herinnert zich nog als de dag van gisteren dat de dorpen in dit gebied onderling op voet van oorlog stonden. Bedoeïenenstammen raakten slaags om weidegrond, een paar geiten of de eer van een van de dochters van de stam. Al eeuwenlang en tot op de dag van vandaag zijn veel inwoners van het gebied semi-nomaden, die de herfst en winter in het dorp doorbrengen en in het voorjaar en vroege zomer met hun kuddes door de woestijn zwerven.

,,Ons dorp werd eens belaagd door bedoeïenen uit Bseira. Een van onze mannen, Atwa heette hij, ontsnapte en ging naar Hebron om hulp te halen. Toen hij met versterking terugkwam, werden de aanvallers in de pan gehakt. Er vielen veel doden. Het bloed klotste hier door de straten en stroomde de wadi (vallei) in.'' Ali maakt een klikkend geluid met zijn tong.

Hij herinnert zich ook nog de `Turkse oorlog', toen strijd geleverd werd door Ottomaanse soldaten en Arabische opstandelingen. Dana had geluk. De Turken beschoten het dorp vanaf een nabijgelegen bergtop, maar hun kanonnen stonden verkeerd afgesteld en de kogels vlogen over het dorp heen. Gelukkig maar, want daarmee bleef een van de meest authentieke dorpen van Jordanië voor het nageslacht bewaard.

,,Dana is een juweel'', zegt Nabil Nwafleh, ,,het dorp is nog maagdelijk, onaangeroerd door de moderne tijd.'' Nabil heeft in september het Dana Tower Hotel geopend. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden is het hotel een eenvoudig boerenhuis, gebouwd van rotsblokken en leem, waar men een primitieve maar schone kamer kan huren voor 15 tot 24 gulden. Nabil neemt ook toeristen mee op wandeltochten van enkele dagen waarbij kruisvaarderskastelen, Nabatese, Romeinse en Byzantijnse ruïnes en het natuurreservaat worden bezocht.De gasten overnachten in traditionele huizen zonder elektriciteit en ander modern comfort of in bedoeïenententen. Men slaapt op de grond, kookt op houtskoolvuurtjes en leest bij olielampen.

Tien jaar geleden waren er nog maar acht bejaarde bewoners over in Dana, onder wie Ali Djaraad. Het dorp was, bij gebrek aan werk en faciliteiten, ten dode opgeschreven. In 1993 werd, met financiering van onder andere de Wereldbank en de UNDP, het natuurreservaat opgericht. ,,Vanaf het begin was onze filosofie dat we de lokale bevolking bij het project moesten betrekken'', zegt Qusay Ahmed van de Jordaanse Royal Society for the Conservation of Nature. ,,Het reservaat moest iets opleveren voor de plaatselijke economie. Inmiddels werken er vijftig mensen uit de nabije omgeving in het project: bewakers, gidsen, kampbeheerders, personeel van het gastenverblijf en een winkeltje. Er is een zilversmederij en een werkplaats voor handicraft. Het dorp is deels gerestaureerd en het irrigatiesysteem voor de boomgaarden en terrastuinen werkt weer. Vijfentwintig families keerden terug naar Dana.''

Sleutelwoord van het project is: ecotoerisme, nog niet zo lang geleden een vrijwel onbekend concept in het Midden-Oosten. Er werden twee kampeerterreinen aangelegd en een gastenverblijf gebouwd. Het aantal bezoekers dat wordt toegelaten bleef beperkt. In het in traditionele stijl opgetrokken guesthouse zijn slechts 23 bedden. In de tenten, die men van tevoren moet reserveren, is plaats voor 90 gasten. Het reservaat, dat 320 vierkante kilometer groot is, wordt 's winters gedeeltelijk gesloten om ,,dieren en planten de gelegenheid te geven op adem te komen''.

Gids Taleb Kkawaldeh gelooft dat de restricties niet alleen goed zijn voor de natuur, maar ook voor de bezoekers. ,,Het is hier een klein koninkrijkje. Je hebt een gevoel van privacy, alsof de natuur er alleen voor jou is. Massatoerisme zou Dana in de kortste keren kapotmaken.''

We staan op het terras van het gastenverblijf. Op 1.600 meter hoogte is het uitzicht over de door grillige gele, bruine en rozige rotsen omgeven vallei, waar de bedding van de Dana-rivier zich een weg slingert naar de woestijn, verpletterend. Het is een heldere dag en het zicht is zo'n 45 kilometer. Aan de horizon is de Israelische Negev-woestijn te zien.

,,Het westelijke gedeelte van het reservaat, Wadi Finaan, ligt 50 meter onder de zeespiegel. Een van de laagste punten op aarde. Door de extreem grote hoogteverschillen en de daarmee samenhangende klimatologische verschillen heb je hier een unieke flora en fauna, die nergens anders in het Midden-Oosten bestaat.'' Taleb wijst op een zwerm vogels, een soort patrijzen. ,,Daar jaagden we vroeger op, maar dat is nu verboden. Veel van de diersoorten die je in Dana ziet zijn wereldwijd bedreigd. Niet alleen tientallen reptielen, insecten en vogels, maar ook zoogdieren als de grijze wolf, de gestreepte hyena en Blandford-vossen. Er zijn hier zelfs planten ontdekt die nergens anders voorkomen.''

Het wordt nu snel donker en terwijl Taleb doorpraat over de vier ecosystemen in het reservaat en de vele archeologische vindplaatsen – Dana ligt in het hart van het bijbelse Edom – verschijnt, haast van het ene op het andere moment, een volle maan boven de bergen en ontelbare sterren aan het firmament. In de verte jankt een jakhals en ruist het water van een natuurlijke bron. ,,Het mooiste van Dana is de rust en de ruimte'', zegt Taleb. ,,Veel mensen waren vergeten dat dat nog bestond.''