De tuun is terug

De Nederlandse tuin heeft een millenniumprobleem. De regering wil het wolmaniseren van hout per 1 januari 2000 verbieden. De schutting, de pergola, ja zelfs de zandbak van de kleine moeten met ingang van die datum als chemisch afval worden beschouwd. Het is nog maar zo kort geleden dat je in zalige onwetendheid kon tuinieren. Ongedierte bestreed je met de gifspuit, onkruid verdween als sneeuw voor de zon als je het met gulle hand bestrooide met korrels van een vertrouwenwekkende, neutraal-grijze kleur en de schutting ging twee keer zo lang mee als je hem insmeerde met creosoot. Dat rook nog lekker ook.

Nu blijken de meeste bestrijdingsmiddelen niet alleen bij luizen, maar ook bij ons kanker te verwekken en creosoot is om dezelfde reden van de markt gehaald. Zelfs het stoken van een flink vuur – een van de meest essentiële ervaringen van het tuinieren – is er niet meer bij. Net heb je een flinke berg snoeihout in de fik gejaagd, of de helikopter van de milieupolitie hangt al boven je hoofd. Je kunt niet eens meer met een rein geweten zitten in je eigen tuin – het teakhouten tuinameublement was nog maar net in de mode of de lol werd alweer vergald door protesten over de teloorgang van het regenwoud.

Gewolmaniseerd hout is altijd te herkennen aan de merkwaardig lichtgroene kleur, een van de weinige kleuren groen die in de natuur niet voorkomt. Tijdens het proces van wolmaniseren wordt hout verduurzaamd door het onder druk te impregneren met zouten van koper, chroom en (soms) arsenicum. Dit is geen gezond recept en het is dan ook terecht dat het gebruik van dit hout nu eindelijk verboden lijkt te gaan worden. Maar leeg wordt het wel, op die manier, bij bouwmarkten, knutselhallen en tuincentra, want in tuinen wordt een onvoorstelbare hoeveelheid hout gebruikt. In veel tuinen wordt meer getimmerd dan gewied.

Men zoekt koortsachtig naar alternatieven, want een tuin zonder schutting is in Nederland onvoorstelbaar; als je rondkijkt in een pas opgeleverde vinex-wijk, dan zijn het niet de bomen en de bloembollen, maar steevast de schuttingen die als eerste de grond in gaan. Vroeger zag je in plaats van een schutting ook nog wel eens een coniferenhaag, maar naarmate de bouwkavels kleiner worden, neemt de populariteit van hagen af. Zelfs de smalste haag neemt kostbare ruimte in. Wie geen haag wil, kan kiezen tussen een schutting en een muur. Een muur, getooid met vijgen, druiven en abrikozen, is sfeervol, maar baksteen is niet goedkoop. Alleen voor wie van plan is om tot zijn dood op een bepaalde plaats te blijven wonen, heeft het zin om in een muur te investeren. Muur is duur.

Wie kiest voor een schutting als tuinafscheiding, moet allereerst rekening houden met de hoogte. Vroeger was een schutting van 1,80 m wel hoog genoeg, maar tegenwoordig wordt de kans steeds groter dat de buren die hoogte met gemak overschrijden. Twee meter, of nog hoger, is dan nodig voor het behoud van privacy en in een kleine tuin kan dat voor problemen zorgen. In een grote tuin is een hoge schutting geen bezwaar, maar een piepklein achtertuintje dat omgeven wordt door een twee meter hoge wand, roept associaties op met de binnenplaats van een strafgevangenis. In zo'n situatie kan de tuinier maar het beste kiezen voor een luchtig vlechtwerk, dat zo weinig mogelijk opvalt en ook nog wat licht doorlaat.

Die behoefte aan vlechtwerk heeft geleid tot de come-back van de tuun, of horde, een vlechtwerk van wilgentenen of hazelaartwijgen dat al sinds prehistorische tijden in Europa gemaakt wordt, maar dat na de Middeleeuwen in onbruik was geraakt. Vroeger duidde het woord tuun, of tuin, op de omheining van een stuk land; later is de betekenis van het woord verschoven naar het land binnen de omheining. Gevlochten wilgentenen worden geassocieerd met braderieën, met kantklossen, geitenkaas en klompendansen. Maar een scherm van gevlochten wilgenteen als schutting is een decoratieve tuinafscheiding met een kleur die zelden detoneert.

Een tuun is een milieuvriendelijke tuinafscheiding. Palen worden op een regelmatige afstand in de grond geslagen en vervolgens worden de wilgentenen om die palen heen gevlochten. Het lijkt eenvoudig, maar het is wel degelijk geschoold werk, dat bovendien een ijzeren conditie van de vlechter vereist. Het vlechten gebeurt in het voorjaar, als het in de winter gehakte hout de nodige soepelheid heeft. Een omtuining staat niet voor eeuwig; wilgenhout gaat tien jaar mee en hazelaar hoogstens vijftien jaar. Door het vlechtscherm met klimplanten te laten begroeien kan de levensduur nog met een paar jaar worden verlengd. Maar als je in aanmerking neemt dat het gemiddelde Nederlandse gezin eenmaal in de acht jaar verhuist, dan kan die beperkte levensduur nauwelijks een bezwaar zijn.

Nederland: De Vlechterij, Piet Hein Spieringhs, Dorpsstraat 25, 3732 HG, De Bilt. 030-2201311

België: Ecofence, Bremweg 22, B-2560 Nijlen. Tel 0032(0)34112264