De laatste invasie

Zeehonden op rotsen, gezellige pubs, lange strandwandelingen en steile kliffen. Ook onervaren wandelaars weten het Welshe kustpad te waarderen. Deel 20 van de serie wandelen in Europa.

Oeps. Elfeneenhalve kilo wijst de weegschaal aan bij het inchecken op Schiphol. En dan zit nog niet eens alle bagage in onze rugzakken. We beschikken over weinig ervaring met wandelvakanties, niettemin hebben we het angstige vermoeden dat dit aan de zware kant is voor het Pembrokeshire Coast Path in Wales (totale lengte 304 kilometer), waar je geacht wordt gemiddeld ruim 20 kilometer per dag op niet al te gemakkelijk terrein te lopen.

En dat blijkt ook zo te zijn. Vast terugkerende gesprekstof zijn de voorwerpen die we maar moeten achterlaten: een boek, een deel van mijn lenzenvloeistof of toch maar die lange broek die op het laatste moment nog in de rugzak gepropt werd. Uiteindelijk zal de volledige inventaris in Amsterdam weerkeren. Inclusief de mobiele telefoon, de enige echte luxe die we ons permitteren. Wandelen langs de kust van Wales geeft een enorm gevoel van vrijheid, maar vergt toch enige planning: het blijkt erg handig de soms dun gezaaide bed & breakfasts van tevoren even te bellen.

Het Pembrokeshire Coast Path, llwybr arfordir op z'n Welsh, is een van de vele lange-afstandspaden die de wandelgekke Britten rijk zijn. Maar dit pad is een veertien dagen durende ervaring van water, zon en zeewind. Smalle paden over kliffen die met 3 miljard jaar tot de oudste ter wereld behoren, en afdalingen naar prachtige stranden met hoge golven. Het strand van Newgale is het mooiste ter wereld, op dat van Schiermonnikoog na natuurlijk. Na uren kronkelen over ruige kliffen, een kilometerslange strandwandeling als beloning. Op de een of andere manier doet het me denken aan de Reis naar het Middelpunt van de Aarde van Jules Verne, waar de reisgenoten uiteindelijk op een `middenaardse' zee stuiten. De Ierse Zee (St Brides Bay) bij Newgale is weids, maar toch ingesloten door twee enorme landtongen.

De Welshe kust is echter niet het middelpunt van de aarde, maar juist het einde daarvan. Glooiende weilanden, alpenweiden bijna, breken plotseling af. Diep beneden vechten zeehonden luidruchtig om het beste plekje op een uit de zee stekende rots. ,,Cliffs kill'', zeggen de bordjes die hier en daar langs het pad zijn neergezet. Maar wie met goed schoeisel op weg gaat en een beetje oplet wordt niet in gevaar gebracht. En een groot voordeel van een kustpad is dat je niet kunt verdwalen.

De spreekwoordelijke strijd als wandelaar tegen de elementen, strekt zich in Pembrokeshire ook uit tot het tij. Zowel bij Sandy Haven als bij Dale dient de wandelaar de getijdentabel goed te bestuderen omdat maar twee keer per etmaal het water vier uur lang laag genoeg is om de in zee uitmondende riviertjes over te steken. Ben je niet op tijd, dan resten extra rondwandelingen van anderhalf uur.

Hoe ongerept vaak ook, de menselijke geschiedenis heeft haar sporen nagelaten. Dat geldt nog het minst voor de oudste resten. Wales bevestigt me nogmaals in het idee niet een al te romantische voorstelling te maken van prehistorische overblijfselen. De vele in reisgidsjes aangekondigde `iron age forts' blijken voor ons toch uiterst moeizaam te onderscheiden van de door de natuur rondgeslingerde rotspartijen.

De recentere geschiedenis levert aan de Welshe kust leuke dorpjes op als Tenby en Little Haven met gezellige pubs, schattige spierwitte vuurtorentjes op groene heuvels, maar ook de minder fraaie olieraffinaderijen rond de plaats Pembroke. Door te liften en een bus te pakken kunnen we tweeëneenhalve dagtrip overslaan, omdat we anders net zo goed een lange-afstandswandeling rond Pernis hadden kunnen uitstippelen. De keuze om van het zuiden naar het noorden te wandelen pakt eveneens goed uit. Zo heb je het minste last van horizonvervuiling door Esso, BP en Gulf.

Pembrokeshire kan zelfs bogen op een historische gebeurtenis van enig formaat. Vlak bij het plaatsje Fishguard vond de laatste invasie van de Britse eilanden plaats, hetgeen in diverse kleine musea flink wordt uitgesponnen. Dat het Franse zooitje ongeregeld dat op 22 februari 1797 onder leiding van de Amerikaan William Tate binnen luttele dagen door de `heldhaftige' regimenten van Pembroke en Fishguard werd verslagen, geeft echter wel aan dat de aanval nauwelijks serieus te nemen is. De Franse revolutionairen hoopten dat een invasie onmiddellijk tot een opstand van ontevreden Britten zou leiden, hetgeen niet gebeurde.

Behalve een gedenksteen, ontwaren wij in het baaitje van `De Laatste Invasie' alleen een zeehond die zijn hoofd boven het water steekt en brutaal rondkijkt of er voor hem nog ergens iets te halen valt.