Bewindsman negeert het Filmmuseum

Staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) houdt vast aan de plannen voor een Instituut voor Beeldcultuur in Rotterdam. Hij negeert hiermee de afwijzing van deze plannen door het bestuur van het Filmmuseum.

Dat blijkt uit een brief die hij vandaag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Van der Ploeg spreekt zijn verbazing uit over het bestuursbesluit, vooral omdat het museum zelf destijds de plannen heeft geïnitieerd, en mist ,,argumenten die een dergelijke plotselinge omslag rechtvaardigen.'' Hij concludeert dan ook: ,,Voor mij zijn er geen redenen om af te wijken van mijn standpunten zoals vervat in mijn brieven van 18 en 26 november.'' Deze twee brieven, waarin wordt voorgesteld om het Filmmuseum naar Rotterdam te verhuizen en de publieksfuncties in Amsterdam te behouden, zullen dienen als uitgangspunt voor de Cultuurnota 2001-2004 en het aan te vragen advies van de Raad voor Cultuur. Het overleg tussen Van der Ploeg en de Kamer, dat aanvankelijk vanmiddag zou plaatsvinden, is uitgesteld naar volgende week.

De ontwikkelingen rond het Instituut voor Beeldcultuur, centrum voor film, fotografie en nieuwe media, raakten deze week in een stroomversnelling door de beslissing van het Filmmuseum-bestuur om niet aan het Instituut deel te nemen. Het bestuur wenst een compleet Filmmuseum als zelfstandige instelling in Amsterdam en keert zich daarmee tegen de plannen van de directie. Alle betrokken partijen, met uitzondering van de gemeente Amsterdam, betreuren de opstelling van het bestuur. Vooral de late timing van het principe-besluit, op een moment dat de plannen voor het Instituut al vergevorderd zijn, wordt het bestuur kwalijk genomen.

,,Onzin'', vindt bestuurslid R. Houwer, die wegens onbereikbaarheid van bestuursvoorzitter D. Istha op persoonlijke titel spreekt. ,,Onze positie was vanaf begin dit jaar duidelijk, alleen zijn we daar niet eerder mee naar buiten gekomen omdat we geen vuile was buiten wilden hangen. Het meningsverschil met de directie was er vanaf het begin, maar we hebben geprobeerd de harmonie te bewaren. Dat is inderdaad mislukt.'' Volgens Houwer wilde het bestuur vanaf het begin dat `het primaat van de cinema' zou worden gewaarborgd en kan dat alleen met behoud van een eigen instelling voor film, iets wat Van der Ploeg, Kombrink en directie te horen hebben gekregen. ,,Wij zijn als bestuur niet tegen zo'n Instituut, maar de inhoudelijke meerwaarde van het samengaan is erg onduidelijk. Als daar een laboratorium ontstaat, kan het Filmmuseum daar natuurlijk aan meewerken, zolang er maar een apart museum voor film intact blijft. Het is toch te gek dat de belangrijkste kunstvorm van deze eeuw geen aparte plek zou mogen hebben? Ik sta niet graag in de schoenen van Van der Ploeg als hij nu zegt: nee filmers, jullie verdienen geen eigen museum.''

In een gisteren verstuurde brief aan Van der Ploeg keert de Raad voor Cultuur zich in scherpe bewoordingen tegen het bestuursbesluit: ,,De nieuwe stellingname van de kant van het bestuur van het Filmmuseum getuigt van een gebrek aan visie en durf en betekent een tournure die ernstig afbreuk doet aan de oorspronkelijke opzet voor een landelijk centrum.'' De Raad adviseert Van der Ploeg om de ingezette koers, een samengaan van de vijf betrokken instellingen in Rotterdam, voort te zetten. Gisteren spraken burgemeester Opstelten en wethouder Kombrink van Rotterdam met Van der Ploeg. Ook zij pleitten voor doorgaan met het oorspronkelijke plan voor het Instituut, inclusief Filmmuseum.