WTO bedreigt democratie

De bevoegdheid van de Wereldhandelsorganisatie om haar leden in handelstwisten bindende besluiten op te leggen is een gevaar voor de democratie, vinden Jurriaan Kamp en Marco Visscher. Het streven naar vrijhandel mag niet uitsluitend de belangen van ondernemingen dienen.

Sinds gisteren staat in Seattle de vrije wereldhandel weer bovenaan de agenda van de wereldpolitiek. De bijeenkomst van de ministers van handel van de 134 landen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) staat in het teken van verdere liberalisering van de internationale handel. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft de vrije handel enorme vooruitgang geboekt. In de hele wereld hebben handelsovereenkomsten de weg vrijgemaakt voor een mondiale economie.

Het succes van de vrijhandel werd bekroond met de oprichting in 1995 van de WTO, een organisatie met vergaande supranationale bevoegdheden om de wereldhandel van belemmeringen te ontdoen. Dankzij de liberalisering van de wereldhandel is de welvaart van velen sterk toegenomen. Niettemin dreigt het streven naar vrijhandel thans te ontaarden in een blinde vlucht naar voren. De droom is dat vrijhandel de levensstandaard van alle betrokkenen vooruit helpt. De werkelijkheid is dat het inkomensverschil tussen de rijkste en de armste twintig procent van de wereldbevolking sinds 1960 tweeëneenhalf keer groter is geworden. Maar er is meer: de eenzijdige aandacht voor de vrijhandel bedreigt de volksgezondheid, het milieu en het respect voor mensenrechten.

Het beleid van regeringen die milieu en gezondheid willen beschermen en daartoe regulerende wetten hebben vastgesteld om de invoer van vervuilende of schadelijk geachte producten te verbieden of te beperken, wordt door bindende uitspraken van de WTO opzijgezet. De arbiters van de WTO beschouwen zulke regelgeving regelmatig als zogenoemde non-tarifaire belemmeringen die de wereldhandel niet mogen hinderen.

Le Monde Diplomatique haalt deze maand opmerkelijk fel uit naar deze ontwikkeling. De WTO zou `ongemerkt een echt internationaal hof in het leven hebben geroepen' en een jurisprudentie hebben geschapen waarin nationale wetten als `obstakels' voor de vrijhandel worden gezien. Een rechtbank die ,,systematisch alle overwegingen van milieu, sociale rechtvaardigheid en volksgezondheid uit de weg ruimt''. Maar de kritiek is terecht. De wereldhandelsorganisatie heeft ervoor gezorgd dat het illegaal is om bedreigde zeedieren te beschermen. De WTO heeft de Amerikaanse wetgeving voor schonere lucht doen wankelen door de Venezolaanse olie-industrie toe te staan vervuilde benzine te verkopen in de Verenigde Staten. De internationale handel in afval mag niet worden belemmerd, met als meest waarschijnlijk resultaat dat het wordt gedumpt in ontwikkelingslanden. Overheidsplannen om het hergebruik van papier te stimuleren via de uitgifte van `duurzaamheidscertificaten' zijn tenietgedaan. En genetisch gemodificeerd voedsel mag zonder duidende etikettering op de markt worden gebracht. Met andere woorden: pogingen om volksgezondheid en milieu te beschermen worden als `protectionisme' weggewimpeld. Er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de wijzen waarop producten tot stand komen. Dus, tonijn die wordt gevangen in `dolfijnvriendelijke' netten, moet gelijk worden behandeld als tonijn die wordt gevangen in netten die de dolfijnen verstrikken. En de boycot van producten die in ontwikkelingslanden door kinderen en vrouwen in beroerde arbeidsomstandigheden worden gemaakt, loopt het risico door de WTO te worden afgewezen. De Europese Unie moest haar besluit herroepen om Amerikaans rundvlees te weren dat met hormonen – die mogelijk kankerverwekkend zijn – was behandeld. De Amerikaanse regering had met succes bij de WTO afgedwongen dat de Europese – risicomijdende – regelgeving moest worden opgeheven. Canada heeft Frankrijk voor de WTO gedaagd omdat de Fransen – met negen andere Europese landen – weigeren asbest toe te laten.

De opkomst van milieuorganisaties heeft vanaf de jaren zestig bijgedragen aan de emancipatie van de burger. Steeds vaker werd het voorzorgsbeginsel omarmd: ook als het niet onbetwist duidelijk was of een bepaald product schadelijk was voor mens of milieu werden de productie en de handel bij voorbaat aan (strenge) regelgeving onderworpen. `Better safe than sorry', luidde het motto. Etiketten werden informatiever. Labels als `Recycled' en `Made in Burma' gaven informatie die kritische consumenten in staat stelde een weloverwogen besluit te nemen. Terwijl de wereldhandel vrijer werd, werden er zodoende ook grenzen gesteld aan de bewegingsvrijheid van het multinationale bedrijfsleven. De komst van de WTO heeft deze evenwichtige ontwikkeling ondermijnd. De WTO ziet alleen het eenzijdige belang van geld en economie. Het land waar het product is gemaakt hoeft niet eens meer op het etiket: dat zorgt in de winkel alleen maar voor `oneerlijke concurrentie'. Deze vrijhandelsdrift ontneemt de consument betrouwbare informatie en maakt het hem onmogelijk om een kritische, sociaal betrokken afweging te maken bij de keuze van producten.

Het gevaar van de Wereldhandelsorganisatie schuilt in haar bevoegdheid om bindende besluiten op te leggen in handelsdisputen. Bedrijven kunnen overheden op alle niveaus voor de WTO dagen, wanneer zij menen dat regelgeving hen hindert in hun streven naar winst. Het WTO-tribunaal vergadert en oordeelt achter gesloten deuren. Documenten worden niet openbaar gemaakt en anonieme `experts' nemen hun bindende beslissingen – die (inter)nationale regelgeving te boven gaan – zonder enige last van een publiek debat. Dat laatste is des te pijnlijker omdat de WTO-panels uitblinken door een onevenwichtige samenstelling: de experts zijn zonder uitzondering voorstanders van vrijhandel en bijvoorbeeld geen milieukenner of een deskundige op het gebied van ontwikkelingshulp. Het gevolg is dat de WTO verwordt tot een organisatie die slechts de belangen van een deel van de wereldbevolking – ondernemingen en hun aandeelhouders – lijkt te behartigen.

De paradoxale situatie doet zich voor dat nationale overheden voortdurend worden gedwongen tot een zorgvuldige afweging van de belangen van milieu en economie – zie het recente debat over gasboring in de Waddenzee – terwijl die belangenafweging op internationaal niveau door een machtige handelsorganisatie teniet wordt gedaan. De WTO schrijft – in de woorden van voormalig secretaris-generaal Renato Ruggiero – een `grondwet voor de mondiale economie'. Maar die grondwet staat bijvoorbeeld het streven naar een duurzame economie, waartoe de internationale gemeenschap zich op de milieuconferentie van Rio de Janeiro heeft verplicht, in de weg.

Lori Wallach en Michelle Sforza doen in hun boek Whose Trade Organization uit 1999 een reeks van verstandige aanbevelingen aan de ministers van Handel die in Seattle bijeenkomen. De WTO zou onder meer eens grondig moeten (laten) onderzoeken wat de effecten van haar beleid zijn geweest op milieu, gezondheid en mensenrechten. De handelsorganisatie zou moeten afzien van de behandeling van klachten van bedrijven tegen nationale regelgeving die dient tot uitvoering van internationale milieu-afspraken – bijvoorbeeld het Kyoto-protocol inzake de uitstoot van kooldioxide. De voedselveiligheid in ontwikkelingslanden mag niet langer worden belemmerd door het recht van multinationale ondernemingen om inheemse zaden te patenteren. Overheden hebben het recht om de volksgezondheid te beschermen met non-discriminatoire regelgeving. De experts in tribunalen moeten uit bredere kringen worden geselecteerd zodat zij niet alleen economische belangen waarborgen.

Uiteindelijk staat niets minder dan de democratie op het spel. Vrijhandel dient om welvaart en welzijn van de wereldbevolking te bevorderen. Zodra het streven naar vrijhandel vooral de belangen van ondernemingen en hun aandeelhouders dient, is het tijd om nieuwe grenzen te bepalen.

Jurriaan Kamp en Marco Visscher zijn redacteuren van het opinietijdschrift Ode.