Turner Prize voor Steve McQueen

De Turner-prijs, de meest prestigieuze Britse jaarlijkse erkenning voor moderne kunst, is gisteravond toegekend aan de filmer Steve McQueen (30). Voor het eerst sinds vijf jaar ging de prijs daarmee niet naar de favoriet.

Tracey Emin gold door de aanhoudende publiciteit rond haar controversiële inzending, een beslapen en door afval omringd bed, tot gisteren als de meest kansrijke van de vier genomineerde kunstenaars. McQueens films, Emins bed, foto's door Steven Pippin en video's van de tweelingzusjes Jane en Louise Wilson zijn tot februari 2000 te zien in de Londense Tate Gallery.

De jury onder leiding van Tate-directeur Sir Nicholas Serota kende McQueen de prijs toe voor de ,,poëzie en helderheid van zijn visie, de actieradius van zijn werk, de emotionele intensiteit en de spaarzame middelen''. De jury prees ook zijn ,,intellectuele en technische evolutie''. Hij kreeg de prijs en de bijbehorende 20.000 pond (68.000 gulden) tijdens een diner in de Tate Gallery.

In één van McQueens inzendingen, de video Prey, speelt een bandrecorder tapdansmuziek en verdwijnt daarna aan een ballon in de lucht. In een andere film, Deadpan, doet McQueen een scène uit een Buster Keaton-film over, waarbij de voorgevel van een houten huis omvalt. Vanuit verschillende invalshoeken is te zien dat McQueen niet gewond raakt omdat hij precies op de plek staat waar een leeg kozijn neerkomt.

McQueen woont in Amsterdam en Berlijn. In een van de kortste dankwoorden uit de geschiedenis van de Turner-prijs dankte hij gisteren zijn familie en vrienden – `that's it, really', aldus McQueen. Later prees hij zijn moeder die hem had aangemoedigd om kunstenaar te worden. Hij zei het prijzengeld te zullen gebruiken om voor zijn kind een huis te kunnen kopen met een tuin.

Controverse is een vast bestanddeel van het Turner-circus. Vorig jaar won Chris Ofili die olifantenpoep in schilderijen verwerkt en eerder verkende Damien Hirst de grenzen van kunst en goede smaak met een doorgezaagd kalf op sterk water. Emins bed en vooral de vieze onderbroeken die eromheen slingerden stonden dit jaar garant voor een serie relletjes. Ook bemoeide de Britse minister van Cultuur, Chris Smith, zich met de prijs. Volgens hem zoekt die ,,controverse om de controverse'' en is de selectie ,,niet representatief voor de Britse kunst''.

Die discussie is na gisteren niet verstomd. David Lee, hoofdredacteur van het kunstblad Art Review hekelt vandaag in The Independent de ,,willekeur'' van de jury en het gebrek aan gewicht van alle kandidaten. McQueen ,,plagieert'' Buster Keaton. De Wilsons zijn een ,,doorbraak in de bestrijding van slapeloosheid''. Pippin doet de fotograaf Muybridge na. En Emins ,,hardnekkige vlekken'' verpersoonlijken de Britse moderne kunst, aldus Lee. De prijs is volgens hem ,,het werk van een kleine groep invloedrijken bij de Tate, de Raad voor de Kunst en een handvol Londense galerieën.''