Het dwingend voorbeeld

De vrije wereldhandel bedreigt de gezondheid, de werkgelegenheid, boeren en arbeiders, het tropisch regenwoud, de wilde dieren en de consumptiedieren, de mensenrechten, de soevereiniteit en het nageslacht. Buiten het conferentiegebouw in Seattle staan duizenden demonstranten die rampen voorspellen als de vrije handel zich verder over de aarde verspreidt. Het verzet op straat van de NGO's, de niet-gouvermentele organisaties, is zeer verdeeld, van vakbonden tot anti-bontlobby. Binnen zitten de delegaties van 135 landen die de tarieven en andere handelsbelemmeringen verder willen slechten voorzover hun eigen land er baat bij vindt. Een held van het verzet is José Bové, de Franse boer die met zijn tractor een McDonald's is binnengereden; profeet van de vrije markt is Bill Clinton die de zegeningen voor de aanstaande eeuw aangekondigt. Het zwaarste werk doet de voorzitter, de Nieuw-Zeelander Mike Moore, die iets van consensus tussen ongetelde tegenstellingen moet bereiken. Symbolischer einde van de eeuw valt niet te verzinnen.

Terwijl de conferentie aan de gang is, wordt buiten niet alleen door het verzet gedemonstreerd. Amerika zelf is een permanente tegendemonstratie: van succes door de vrije markt. Het is meer dan ooit een voorbeeld van economische bloei. De groei heeft het afgelopen kwartaal met 5,5 procent de verwachtingen overtroffen. Eigenlijk overtreft op het ogenblik alles de verwachtingen. De werkgelegenheid is in dertig jaar niet zo groot geweest. Met Thanksgiving is het seizoen van de feestdagen begonnen. Alle bedrijven rapporteren meer omzet. Voor het eerst wordt op megaschaal elektronisch gewinkeld, bestelt men een reis naar een tropisch paradijs, een antieke stoel, een voorraad vitaminepillen via Internet. Tegelijkertijd neemt de misdaad spectaculair af. Als er sprake is van een stemming in het land, dan is deze: zeer monter. ,,It's morning again in America'', zei president Reagan. Er zijn meer dan tien jaar overheen gegaan, maar nu nadert de zon dan ook het zenith. Voor de deelnemers aan de conferentie in Seattle moet dat wel een aanschouwelijke les in voorbeeldigheid zijn. Voor vertegenwoordigers uit arme landen, kan ik me indenken, een verpletterende voorstelling.

Amerika heeft een nieuw toppunt van macht bereikt. Dat blijkt niet alleen uit deze onstuitbaar lijkende economische vooruitgang, de explosie van consumentencultuur en het bijna tastbare zelfbewustzijn. Ook in het politiek discours is het duidelijk dat men weet onbetwistbaar en onbenaderbaar de machtigste te zijn. En daaruit ontstaat dan weer de vraag welke verantwoordelijkheid dit monopolie met zich meebrengt, wat de buitenlandse politiek zal moeten zijn, niet tegenover bepaalde landen in het bijzonder, maar als algemene opdracht, tegenover de hele wereld.

Zo is de discussie over Star Wars, het schild van raketten dat het land tegen raketaanvallen moet beschermen, weer opgeleefd. Het denkbeeld is even controversieel als toen Reagan het lanceerde. Het verschil is dat toen de Koude Oorlog hoe dan ook de buitenlandse politiek bepaalde, en nu? Wat moet men met Star Wars in een `multipolaire wereld'? Het unieke Amerika nog minder kwetsbaar maken? Deze ultradefensie voor het wereldwelzijn gebruiken? Hoe? Daar is niemand zeker van.

In dit opzicht geldt hetzelfde voor de verhouding tussen Amerika en de Europese bondgenoten. Kosovo heeft weer bewezen dat in militair opzicht de Europeanen zonder de Amerikanen tot niets bijzonders in staat zijn. Europa werkt aan zijn militaire zelfstandigheid. Het gevolg daarvan kan zijn dat pogingen zullen worden gedaan de Europese wapenindustrie althans bij benadering op het niveau van de Amerikaanse te brengen, ook het geavanceerde dat bestaat bij de gratie van de meest verfijnde elektronica. In een lezenswaardig essay in Foreign Affairs betogen drie experts, onder wie Brent Scowcroft (adviseur voor nationale veiligheid onder Bush), dat zo'n Europese solopolitiek verspilling van energie en talent zou zijn en de NAVO zou ondermijnen. Het delen van de last, sharing the burden, zou behalve voor de kosten van militaire inspanningen ook moeten gelden voor technische ontwikkeling. Samenwerking is dus geboden. Maar hoe? In de elektronica lopen commerciële en militaire productie in elkaar over. Het militair-industrieel complex werkt anders dan toen Eisenhower het deze naam gaf, maar het is niet verdwenen. Op welke voorwaarden de Amerikaanse industrie tot samenwerking bereid zou zijn, wordt in het midden gelaten.

In nog een ander politiek-commerciële onderneming van wereldbelang volgt Amerika een volstrekt eigen beleid. Dat gaat over de aanleg van de pijpleiding tussen de olievelden bij en in de Kaspische zee, om Rusland en Iran heen. De voorgeschiedenis doet denken aan De geheime oorlog om de petroleum, een destijd beroemd boek van Anton Zischka. De overeenkomsten met Turkije en Azerbajdzjan druisen regelrecht tegen het Russisch belang in. Is dat ook een Europees belang? Dit olie-akkoord wordt beschouwd als een van Clintons grote wapenfeiten.

Europa is bang voor een herleving van het Amerikaanse isolationisme. Daarvoor is geen reden zolang het Europese belang congruent is met het Amerikaanse. Na de Koude Oorlog is dit steeds minder het geval. In deze bloeitijd blaakt Amerika van zelfvertrouwen en machtsbewustzijn. De vrije markt volgens de Amerikaanse formule is het recept dat men het liefst de hele wereld wil voorschrijven. Wie het niet wil opvolgen, moet het zelf weten, maar kan niet op de voortgezette sympathie van `this benign nation' (Madeleine Albright) rekenen.

Tegen deze absolute opvatting van economisch goed en kwaad (gesteund door de militaire supermacht) protesteert in Seattle een legioen van groepen die het op gevarieerde manier anders zien. ,,Ik hoor'', zei voorzitter Moore, ,,dat de politie op wel 50.000 betogers rekent. Maar bedenk dit: in 30 landen wonen nog 1,5 miljard mensen die erbij willen horen.'' Wie weet. De afstand tussen het zich van zijn veelzijdige, snel groeiende macht bewuste Amerika en de rest van de wereld wordt met de dag groter.