Half miljoen paren kibbelt over kinderen krijgen

Een op de vijf paren is het niet eens over het krijgen van kinderen en de taakverdeling in het huishouden. Dat blijkt uit een onderzoek van het CBS naar gezinsvorming dat vanmiddag is gepresenteerd. Het gaat volgens het CBS om een half miljoen huishoudens.

Uit eerder onderzoek was al bekend dat paren steeds langer wachten met het krijgen van kinderen. Het aantal moeders van dertig jaar en ouder is dit jaar 125.000 tegen 92.000 in 1990. Ruim 1.200 vrouwen van boven de veertig krijgen dit jaar hun eerste kind.

Het CBS is op zoek naar een verklaring voor het uitstelgedrag. Vrouwen geven vaak op dat de man niet eerder een kind wilde. In dit onderzoek zijn – volgens het CBS voor het eerst – beide partners geraadpleegd.

De onderzoekers vergeleken de antwoorden van tweeduizend paren op vier stellingen: `In het gezin is de man kostwinner en de vrouw doet het huishouden en zorgt voor de kinderen'; `Partners moeten zoveel mogelijk dingen samen doen'; `Kinderen krijgen betekent vrijheid inleveren'; `Het is vanzelfsprekend om kind een te willen'.

Uit de antwoorden, die beide partners onafhankelijk van elkaar gaven, blijkt dat ouders die snel kinderen hebben gekregen het vaker oneens zijn dan `uitstellers', volgens de onderzoekers een verrassend resultaat. Ongeveer een kwart van de jonge ouders is het niet met elkaar eens over drie van de vier stellingen. De man neemt daarbij meestal het traditionele standpunt in: hij vindt dat hij de kost moet verdienen, dat het krijgen van kinderen vanzelfsprekend is en dat men in een relatie zoveel mogelijk samen doet. Bij de `uitstellers' bedraagt het aantal paren met meningsverschillen over de stellingen 14 tot 21 procent. Bij hen is vooral het `zoveel mogelijk dingen samen doen' een twistpunt.

CBS-onderzoeker J. Latten: ,,Het lijkt erop dat jonge ouders wel snel kinderen nemen maar het dan later toch oneens zijn, waarschijnlijk omdat de vrouw dan emancipatoire gedachten krijgt, terwijl de man zegt: Nee. Ik werk.'' Uit eerder onderzoek is bekend dat jonge ouders meestal ook lager opgeleid zijn.

Latten concludeert verder dat het bereiken van eensgezindheid over kinderen kennelijk tijd kost. Dit blijkt ook uit het feit dat veel van de uitstellers al vijf jaar of langer een relatie hadden voor ze een kind kregen. Van de moeders die in de jaren zestig zijn geboren, krijgt slechts 24 procent binnen twee jaar na het begin van hun relatie een kind. Onder moeders van de generatie daarvoor is dat nog veertig procent. ,,Er wordt dus ook veel gezamenlijk uitgesteld'', zegt Latten, ,,Misschien uit onzekerheid over de relatie. Daarover hebben we nog geen gegevens.''

Mensen die het krijgen van kinderen uitstellen zijn het vaker dan jonge ouders oneens over de vraag of ze alles samen moeten doen. Latten ziet dit als een symptoom van de voortschrijdende individualisering binnen relaties. ,,Die paren, de voorlopers, zijn het al eens over die andere dingen, bijvoorbeeld dat het niet per se de man is die de kost verdient, maar worstelen nog met de vraag hoe ver ze gaan met de individualisering binnen de relatie.'' Bij de uitstellers zou volgens Latten een discussiepunt kunnen zijn ,,of de een met vrienden op vakantie kan gaan en de ander eindelijk zijn rebirthing-therapie kan volgen''.