ECB buigt zich over geldgroei in 2000

Morgen formuleert de Europese Centrale Bank naar verwachting een van de hoekstenen van het monetaire beleid in 2000: de `referentiewaarde' voor de geldgroei in de eurozone. Een kleine verhoging vanaf de huidige 4,5 procent is niet onmogelijk.

Het gaat niet over de rente, het gaat niet over de euro. En toch neemt het bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB) morgen in Frankfurt een belangrijke beslissing. Net als de Duitse centrale bank, de Bundesbank, dat tot 1999 deed hanteert de ECB een doelstelling voor de geldgroei. Die doelstelling wordt elk jaareinde voor het volgende jaar gesteld. Morgen is het zover: ECB-president Duisenberg zal na afloop van de vergadering van de ECB het nieuwe cijfer voor de geldgroei bekend maken.

Voor 1999 hanteerde de ECB een `referentiewaarde' voor de geldgroei van 4,5 procent. De vraag is nu welke referentiewaarde voor het jaar 2000 zal gelden.

Een belangrijk deel van de monetaire strategie van de ECB is geënt op de geldgroei. De theorie is dat er een evenwicht is tussen enerzijds de waarde van het bruto binnenlands product, en anderzijds de hoeveelheid geld in omloop, maal de omloopsnelheid. De achterliggende gedachte is dat er niet te veel geld in omloop mag zijn tegenover de hoeveelheid goederen (en diensten). Groeit de hoeveelheid geld te snel, dan ontstaat inflatie. En daar treedt de ECB nu juist tegen op.

Met hoeveel zal de geldhoeveelheid in 2000 mogen groeien? De toename van de nominale waarde van het bruto binnenlands product is opgebouwd uit de volumegroei van dat bbp en de gemiddelde prijsstijging. De ECB heeft prijsstabiliteit gedefinieerd als een prijsstijging van tussen de 0 en 2 procent. Veel analisten gaan er inmiddels van uit dat een prijsstijging (inflatie) van tussen de 1 en 2 procent zo'n beetje het inflatietempo waar de ECB op de lange termijn vrede mee zal hebben.

De volumegroei van het bbp die de ECB als duurzaam beschouwt is wat moeilijker in te schatten. Historisch gezien is het tempo waarin de economie kan groeien zonder dat de inflatie uit de hand loopt zo'n 2 procent tot 2,5 procent in de eurozone. Dat brengt de linkerkant van de vergelijking - de `toegestane' groei van het nominale bbp, op tussen de 3 procent en 4,5 procent.

Betekent dit dat de geldhoeveelheid nu niet sneller mag toenemen dan tussen de 3 en 4,5 procent? Nee, want er is een onzekere, derde, factor in het spel: de omloopsnelheid. De ECB heeft eind vorig jaar al gesignaleerd dat die omloopsnelheid duurzaam terugloopt. De reden daarvoor is nog onduidelijk. Er zijn wel vermoedens. De opkomst van chipcards gaat bijvoorbeeld gepaard met het vastleggen van geldbedragen op deze kaartjes. Omdat er zo meer geld `niets doet' moet er meer geld in omloop komen. Hoe het ook zij, in de jaren negentig is de omloopsnelheid gemiddeld gedaald met tegen de 1,5 procent. Over een langere periode is die daling tussen de 1 en 1,5 procent.

Dat betekent dat de geldgroei met meer mag toenemen dan de 3 à 4,5 procent die de groei van het nominale bbp voorschrift. De daling van de omloopsnelheid in acht genomen, kan de geldgroei tussen de 4 procent en 6 procent bedragen.

Vorig jaar stelde de ECB de `referentiewaarde' voor 1999 vast op 4,5 procent, en was daarmee aan de veilige kant. Dat bleek ook in de loop van dit jaar, toen de werkelijke geldgroei opliep naar 6 procent.

De centrale bankiers zitten dus met een probleem. De buitenwereld zal verwachten dat, als de daadwerkelijke geldgroei het doel van de ECB duurzaam overstijgt, de ECB de rente ook duurzaam zal moeten verhogen. Laat de ECB dat na, dan ondergraaft de bank zijn eigen geloofwaardigheid.

Nu heeft Duisenberg al benadrukt dat de geldgroeistrategie niet het enige is waar de ECB naar kijkt bij het vaststellen van het rentebeleid. Daarom is voor de naam van het doel van de geldgroei ook `referentiewaarde' gekozen – een redelijk vrijblijvende term.

Toch blijft het wringen. De ECB zal morgen drie besluiten kunnen nemen: de bank kan de `referentiewaarde' van 4,5 procent handhaven voor het jaar 2000, om daarmee te benadrukken dat het allemaal zo nauw niet komt met de geldgroeistrategie. De ECB kan ook, zoals de Bundesbank dat vroeger deed, een bandbreedte formuleren. In dit geval zou dat - aan de voorzichtige kant - een bandbreedte van tussen de 4 procent en 5,5 procent kunnen zijn. Of de ECB kan vasthouden aan het gebruik van de referentiewaarde zoals hij bedoeld is, en hem aanpassen aan de omstandigheden van volgend jaar. Dat zou betekenen dat de referentiewaarde morgen waarschijnlijk wat wordt opgehoogd, tot 5 procent.