De Vries negeert positie sociale partners

Het ontnemen van bestuurlijke verantwoordelijkheid aan sociale partners voor het stelsel van werknemersverzekeringen luidt het einde van dit stelsel is, menen Hans de Boer, Gerard Doornbos en Jacques Schraven.

Weinigen snappen het nog. Werkgevers en werknemers vormen één front tegen de plannen van minister De Vries en staatssecretaris Hoogervorst.

Het front van werkgevers en werknemers is ontstaan uit een combinatie van inhoudelijke bezwaren tegen het plan-De Vries en kritiek op de wijze waarop het kabinet zijn plannen er door denkt te drukken. Vorige week is gebleken dat het kabinet de hoofdlijnen van het plan vooralsnog niet ter discussie wil stellen.

Mede op verzoek van de overheid hebben werkgevers en werknemers in gezamenlijkheid in een aantal stappen binnen de Stichting van de Arbeid en de SER een model ontwikkeld. Dit model, met als kenmerken: concurrentie tussen uitvoeringsinstellingen (UVI's), waarborgen voor een faire behandeling van uitkeringsgerechtigden, hanteerbaarheid voor het midden- en kleinbedrijf en een inbreng van sociale partners bij het arbeidsmarktbeleid, is nu in één keer ter zijde geschoven.

Fraai is anders, vooral wanneer in aanmerking wordt genomen dat het kabinet voortdurend hamert op de verantwoordelijkheden van sociale partners wanneer het kabinet dat uitkomt. Dat geldt te meer omdat hier de werknemersverzekeringen (WW/WAO) in het geding zijn. Het karakter daarvan (premiebetaling door werkgevers en werknemers) brengt met zich mee dat de uitvoering daarvan publieksprivaat is. Geconstateerd moet worden dat in dit plan-De Vries sociale partners iedere bestuurlijke verantwoordelijkheid wordt ontnomen.

Hoewel nu meningsverschillen bestaan over de uitvoering van de sociale zekerheid, mag de inhoud van het stelsel niet worden vergeten. Inhoudelijk zijn het de werkgevers die financieel worden aangesproken op ziekteverzuim en instroom in de WAO. De werkgever moet tot een jaar doorbetalen als een van zijn werknemers wegens ziekte verzuimt. De werkgever betaalt vervolgens ook nog een keer extra WAO-premie, wanneer vanuit zijn bedrijf meer werknemers dan gemiddeld de WAO instromen. Daarmee is overigens geenszins gezegd dat de oorzaak in het bedrijf is gelegen. Omgekeerd is ook het voorkomen van ziekteverzuim èn WAO-instroom èn reïntegratie lonend.

Bij dit systeem kunnen allerlei kanttekeningen worden geplaatst, maar één ding moet in alle redelijkheid op tafel blijven: als de bedrijven een zo cruciale en ook risicovolle positie in het geheel innemen, dan mogen en moeten zij ook hun eisen aan het stelsel van uitvoering stellen. Financiële risico's en potentiële beloningen moeten immers hanteerbaar, respectievelijk bereikbaar worden gemaakt door een goed stelsel van uitvoering. Echter, het nieuwe plan-De Vries stuurt werkgevers met gebonden handen de ring in.

In de eerste plaats wenst het kabinet één grote overheidsorganisatie te creëren, het UWV, dat de claimbeoordeling, de premievaststelling en de uitkeringen verzorgt, alsmede opdracht geeft tot reïntegratie van WW'ers en langdurig arbeidsongeschikten die geen dienstverband meer hebben. Die UWV wordt gepositioneerd in een markt `die zich nog moet zetten' van private arbo-diensten en reïntegratiebedrijven. Hoe tussen die partijen een soepele samenwerking kan ontstaan blijft in het plan-De Vries in nevelen gehuld.

Het gecreëerde model zal vooral leiden tot competentiestrijd, een mistige verdeling van de verantwoordelijkheid en een niet te corrigeren procedure- en papierwinkel voor ondernemers en reïntegratiebedrijven onder regie van één overheidsinstelling.

Ten tweede zegt het kabinet dat in de nieuwe situatie het initiatief voor reïntegratie van arbeidsongeschikten die nog in dienst van de werkgever zijn, op het niveau van individuele bedrijven moet liggen. Grote bedrijven kunnen dat aan, maar middelgrote en vooral kleinere bedrijven hebben geen experts in dienst om tot een goede verstrekking van zo'n opdracht te komen of om follow up te geven aan contracten.

Daarom moeten er goede, door wetgeving ondersteunde, mogelijkheden zijn om het opdrachtgeverschap op het hogere niveau van cao-partijen en branches vorm te geven ten behoeve van het midden-en kleinbedrijf. Op dat niveau kan tevens de koppeling worden gemaakt met het sectoraal arbeidsmarkt- en reïntegratiebeleid, waarvoor onder meer sectorfondsen beschikbaar zijn.

In de derde plaats wordt in het plan-De Vries de voorgenomen invoering van Centra voor Werk en Inkomen (CWI) zonder meer doorgezet, terwijl er steeds meer indicaties zijn dat deze constructie in de praktijk niet zo simpel en doeltreffend is als zij lijkt.

Voorts wordt in het plan-De Vries een merkwaardige relatie gelegd met het arbeidsmarktbeleid. Het kabinet zet hier de sociale partners op afstand en schuift gemeenten en nog nader te benoemen deskundigen naar voren. Dit betekent dat werkgevers en vakbeweging geen enkele zekerheid meer hebben of de inzet van premiegelden ten goede zal komen aan hun streven om reïntegratie te bevorderen, respectievelijk aan een beheersbare premiedruk. Integendeel, zij moeten met de pet in de hand afwachten of sprake zal zijn van een sectorbeleid of van scholingstrajecten die op de wensen van het bedrijfsleven zijn afgestemd en inspelen op knelpunten in de personeelsvoorziening.

Sommigen suggereren dat het nu voorliggende plan het sluitstuk van het rapport-Buurmeijer uit 1993 over de uitvoering van WW en WAO. Niets is minder waar.

In het rapport-Buurmeijer werd aanbevolen om de individuele gevallen uit handen van sociale partners te nemen, het toezicht onafhankelijk te maken en de bedrijfsverenigingen op te heffen. Dat is inmiddels al lang gebeurd. Het ontnemen van iedere bestuurlijke verantwoordelijkheid aan sociale partners voor het stelsel van werknemersverzekeringen, naast die voor het arbeidsmarktbeleid, is nieuw en luidt de facto tegelijkertijd het einde van dit stelsel in.

Hans de Boer, Gerard Doornbos en Jacques Schraven zijn respectievelijk voorzitter van MKB-Nederland, LTO-Nederland en VNO-NCW.