De onvermijdelijke krul

Architectuur is een traag medium. Tussen ontwerp en uitvoering zitten vaak jaren. Maar de verspreiding van een nieuwe bouwmode gaat net zo snel als in de kledingindustrie. Ook in de architectuur duiken bouwmodes plotseling massaal op. Zo verschenen een jaar of vijf geleden op verschillende plekken in Nederland kantoren met schuine, vooroverhangende façades, alsof architecten in het geheim hadden afgesproken dat ze het de glazenwassers nu eens extra moeilijk gingen maken.

Een van de nieuwste modes in de Nederlandse architectuur is `de krul'. De laatste twee jaar zijn er verschillende gebouwen in Nederland gebouwd, waarin een vloer wordt omgebogen tot een wand die op zijn beurt vloeiend overgaat in plafond. Het nu al beroemde nieuwe kantoorgebouw van de VPRO in Hilversum uit 1997, ontworpen door MVRDV, heeft bijvoorbeeld zo'n gevouwen vloer. Ook Rem Koolhaas' Educatorium in Utrecht uit 1997, dat onlangs werd bekroond met de Gerrit Rietveld Prijs, heeft een prominente krul. Het Zoetwaterpaviljoen van Lars Spuybroek op het voormalige werkeiland Neeltje Jans in Zeeland, ook al uit 1997, is eigenlijk één grote krul: praktisch alle vormen van dit gebouwtje zijn vloeiend en krom. In Uden heeft Alynia Lerou de krul als afsluiting gebruikt voor de achterkant van een gebouw – de voorzijde bestaat uit een nu alweer enigszins gedateerde vooroverhangende gevel. Ook de nu bijna voltooide nieuwe passagiersterminal voor zeeschepen in Amsterdam heeft een grote krul gekregen, al is dit een niet helemaal stijlvaste vouw: de vloer is van een ander materiaal dan de rest van de glazen krul. Langs de Amsterdamse ringweg, niet ver van de afslag naar de A2, staat nu het houten skelet van een gebouw dat zeker een krul wordt.

De verklaring voor de plotselinge verschijning van krulgebouwen moet geworden gezocht in het verschijnsel `papieren architectuur'. Een niet gebouwd ontwerp kan toch heel invloedrijk zijn en ook theorieën, een andere vorm van papieren architectuur, kunnen verschillende architecten op hetzelfde idee brengen.

In het geval van de krul deden de theorieën het eerste voorwerk. In de jaren negentig werd het werk van de Franse filosoof Jacques Derrida van de nachtkastjes van architecten verdrongen door dat van de ook al Franse Gilles Deleuze. Veel van het werk van Deleuze is ondoorgrondelijk, maar vaak duikt het eenvoudig te vertalen woord `le pli' erin op. De vouw betekent dit.

Een van de eersten die architectuur vervolgens opvatten als vouwwerk is Rem Koolhaas. In zijn boek SMLXL uit 1995 staat een beroemd geworden fotootje waarop is te zien hoe met een paar knippen van een velletje papier een bouwwerkje met gevouwen vloeren valt te maken. Iedere architect kent dit fotootje dat al eerder in tijdschriften was gepubliceerd.

Koolhaas paste dit idee toe in een ontwerp voor een bibliotheek in Parijs, maar dit bleef uiteindelijk onuitgevoerd. Pas de drie architecten van MVRDV, van wie het mannelijke tweetal bij Rem Koolhaas heeft gewerkt, kregen het met de Villa VPRO voor elkaar een gebouw te realiseren dat bestaat uit geplooid beton. In dit gebouw is de beste krul tot nu toe uitgevoerd. De krullen van de andere gebouwen zijn te vergelijken met confectie: zoals de vondsten uit de haute couture in verwaterde vorm opduiken in de confectiekleding, zo zijn de krullen in de recentere krulgebouwen slechts verre echo's van de vouwen en plooien in dat van MVRDV. De krullen van de Amsterdamse passagiersterminal en van de kantoren zijn de ornamenten, die latere generaties zullen laten weten dat deze gebouwen omstreeks het jaar 2000 zijn gemaakt.