Zigeunermeisje Settela is nog steeds symbool

De dag begint met een teleurstelling. De film die het hoogtepunt van een dagje IDFA had moeten worden, Ik bedek mijn schmerz met mijn nerts, is vernietigd door de computer. In de haast om de film gereed te krijgen voor zijn wereldpremière, is het scenarioworkshop-resultaat van Renée Sanders en Ewald Wels `gesneuveld in de digitale montage'. De film is gelukkig niet verloren, maar het eerste optreden van de flamboyante dames van Duits-joodse afkomst uit de Amsterdamse Beethovenstraat is uitgesteld.

Maar ook zonder joodse dames is de oorlog nooit ver weg. Op een seminar over het programma-onderdeel `Memory of the Century', met documentaires over klassieke beelden, vertelt journalist Aad Wagenaar over zijn onderzoek naar de identiteit van het meisje met de witte hoofddoek in de Westerbork-trein. Zijn onderzoek werd door Cherry Duyns vastgelegd in Settela, gezicht van het verleden. Dat Wagenaar ontdekte dat het vermeend joodse meisje een zigeunerin was, werd hem vijf jaar geleden door sommigen niet in dank afgenomen.

Een half uur later blijkt dat Settela nog steeds symbool staat voor de jodenvervolging. In Kapo, van het Israelische duo Dan Setton en Tor Ben-Mayor, gaat het om joden die in de getto's en de kampen door de nazi's werden ingezet voor ordebewaking en andere klussen. Een getuige vertelt over een Pools getto, en tussen ander archiefmateriaal door verschijnt opeens Settela in beeld. Een Limburgs zigeunermeisje in Westerbork, ingezet als joodse gettobewoner in Polen. Met een overdaad aan archiefmateriaal tracht Kapo niet alleen het delicate onderwerp van de joodse collaboratie aan snijden, maar tevens in 55 minuten de holocaust te reconstrueren. Merkwaardig dat de makers zich niet meer hebben geconcentreerd op de voormalige barakhoofden en hun ethische worstelingen. Hun bereidheid om te praten wordt in Kapo onvoldoende benut.

Indirect verschijnt Settela ook in American Gypsy: A stranger in everybody's land van Jasmine Dellal. Aad Wagenaar betreurt dat de Westerbork-foto in het NOS-archief sinds zijn ontdekking ontdaan is van het trefwoord `joods' en daarom minder wordt gebruikt. Ik betrap mezelf op moeiteloos `inruilen' van een symbool: zodra in American Gypsy wordt verwezen naar vervolging van zigeuners tijdens de Tweede Wereldoorlog, zie ik het beeld van Settela. In haar persoonlijke film gaat de Brits-Indiase Dellal, zelf niet-zigeuner, op zoek naar Roma in de Verenigde Staten. Een lastige klus, want volgens een hoogleraar hebben de zigeuners alleen weten te overleven dankzij hun cultuur van gesloten gemeenschappen. Noodgedwongen beperkt Dellal zich tot de perikelen van één familie, en presenteert ze daar omheen informatie over beeldvorming en geschiedenis van de zigeuners. Hoe sympathiek en onderhoudend ook, doordringen tot de kern doet de film niet.

De Engelse filmmaker Paul Wilmshurst werkt als een bezetene, maar het gaat niet ten koste van de kwaliteit. Diceworld, gisteravond in wereldpremière op het festival, is een van de beste films van het festival, zo'n zeldzame documentaire waar vorm en inhoud perfect samengaan. Wilmshurst portretteert Luke Rhinehart, alter ego van schrijver George Cockcroft en beter bekend als `The Dice Man', naar de cult-bestseller uit 1971. Rhinehart leeft volgens het dobbelsteen-principe: geef je onvervulde wensen een nummer, gooi een dobbelsteen en doe datgene wat je gooit. Toeval als remedie voor frustraties, en als middel om de rijkdom van je persoonlijkheid te ontdekken. De theorie is aantrekkelijk, en de goeroe van het toeval is een charismatische figuur. Mooi aan Diceworld is de subtiele knipoog die het onderwerp relativeert, en die zelfs de mogelijkheid openlaat dat het allemaal onzin is.

    • Mark Duursma