PvdA heeft geen grondbeleid

Niet het CDA maar de PvdA houdt de ontwikkeling van het denken over het grondbeleid tegen, menen Pieter van Geel en Peter van Wijmen.

Het artikel van Adri Duivesteijn in NRC Handelsblad van 25 november over de rol die het CDA de laatste decennia gespeeld zou hebben in het tegenhouden van veranderingen van het grondbeleid, doet zowel inhoudelijk als politiek op zijn zachtst gezegd curieus aan. Alleen al de kop trouwens: `CDA moet zich helder uitspreken over grondbeleid'. Moet? Zit het CDA soms in het kabinet? Helder?

De afwijzende standpunten in het verleden over de voorstellen van de zijde van de PvdA waren zó duidelijk, dat ze zelfs tot een kabinetscrisis leidden. Duivesteijn waarschuwt het CDA nu voor de laatste keer: het grondbeleid is een testcase voor de vernieuwing van het CDA en als er op deze lakmoesproef voor regeringsgeschiktheid geen duidelijk antwoord komt, gaat de PvdA gewoon verder met de VVD via een `uitruil van belangen'.

Alsof dezelfde partijen daarvoor al niet tweemaal de kans hebben gehad. Noch in het regeerakkoord voor Paars-I, noch in dat voor Paars-II vindt men een spoor van nieuw grondbeleid. De problemen op de VINEX-locaties bestaan al jaren en al die tijd was een PvdA-bewindspersoon verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening inclusief het grondbeleid.

Duivesteijn analyseert het verre verleden, maar vergeet gemakshalve de hand in eigen boezem te steken, Wie was medeverantwoordelijk voor het VINEX-beleid: de PvdA. Wie maakte nog tijdens Paars-I een eerste reparatie van de Wet Voorkeursrecht Gemeenten mede mogelijk? Het CDA. En wie doorbrak de impasse door in alle gevallen de discussie over mogelijke oplossingsrichtingen te openen? Datzelfde CDA tijdens het afscheidssymposium voor de Zuid-Hollandse gedeputeerde Jan Heijkoop op 25 november jl.

Het valt in dit verband op dat Duivesteijn in zijn inleiding en krantenartikel van diezelfde datum wel het CDA de maat neemt over het verleden, maar zelf met geen enkel idee komt over de vraag hoe het nu met het grondbeleid zou moeten in de toekomst. Het lijkt op maskeren van het eigen onvermogen door de PvdA – met de VVD komen ze er begrijpelijkerwijs niet uit – door een vlucht naar voren, richting de externe vijand – een klassieke methode. Bovendien blijkt zelfs gebrek aan historisch inzicht: de arrogantie om andermans nieren te proeven als het gaat om regeringsdeelname heeft de PvdA al eens eerder buiten spel gezet; men herinnert zich waarom het tweede kabinet-Den Uyl er nooit gekomen is.

Bij het aangeven van die oplossingsrichtingen moet natuurlijk eerst het probleem duidelijk worden gesteld. Grondpolitiek of grondbeleid kan niet geïsoleerd worden bezien. Het gaat om het hele complex van instrumenten voor de inrichting van de ruimte en dan betreft dit zowel de inhoud van het beleid als het juridische en bestuurlijke instrumentarium en dat over de volle breedte: van Wet op de Ruimtelijke Ordening, Onteigeningswet en Wet Voorkeursrecht Gemeenten tot en met de inzet van locatiesubsidies. Het verengen van de discussie tot die over de prijs waartegen onteigening van grond zou moeten plaatsvinden, zoals Duivesteijn doet, heeft misschien een hoge symboolwaarde, maar voert tot onwerkbare conclusies.

Het CDA geeft liever op drie terreinen de kernpunten voor het zoeken naar oplossingen. Het eerste betreft de inhoud. Hier moeten de inhoudelijke en financiële relaties worden verlegd binnen de herstructurering van bestaande ruimte in onze steden en dorpen enerzijds en het aanmaken van nieuwe ruimte in het buitengebied anderzijds. Lusten en lasten dienen aan elkaar te worden gekoppeld. Schaarse zaken als open ruimte, natuur, rust moeten worden geprijsd.

De aanmaak van nieuwe ruimte – het steeds bouwen in de volgende wei – moet financieel zo worden behandeld dat via het prijsmechanisme de herstructurering van de bestaande ruimte mogelijk wordt gemaakt, terwijl alle externe effecten gecompenseerd moeten worden. Dit betekent: alleen maar uitwijken naar uitbreidingslocaties in zogenaamde intensiveringsgebieden als het echt niet anders kan en dan tegen een hoge prijs. De extra middelen die hieruit voortvloeien worden ingezet voor herstructurering en landschappelijke compensatie en inpassing. Nieuw rood betaalt voor oud rood én voor groen.

Ten tweede is er de mogelijkheid om wet- en regelgeving aan te passen. Het is alleen de overheid die de bestemming van grond kan veranderen. De daaraan verbonden waardestijging dankt de eigenaar dus niet aan eigen inspanning, doch aan overheidsoptreden. Het is dus niet vanzelfsprekend dat die waardestijging geheel aan de eigenaar behoort toe te komen. Uit de grondprijs moeten de gemeenschapsvoorzieningen (zoals wegen, groen, riolering en plankosten) worden betaald en als een eigenaar of bouwer te veel ontvangt ten koste van de gemeenschap, dient afroming daarvan overwogen te worden. Ook de Wet Voorkeursrecht Gemeenten moet worden aangepast.

Verbetering van het bestuurlijk instrumentarium vormt een derde methode ter verbetering van het grondbeleid. Momenteel is de overheid gewoon geen partij voor personen die met veel geld het landelijk gebied als het ware opkopen en aldus niet alleen de stadsuitbreidingen duurder maken, maar ook een gezonde landbouw en de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur in de weg staan. Met regelgeving alleen valt dit probleem niet op te lossen.

Om de overheid slagvaardiger te maken zou een nieuw op te richten ontwikkelingsmaatschappij in elke provincie een actieve speler op de grond- en gebouwenmarkt moeten worden. Kern daarvan zou de huidige Dienst Landelijk Gebied kunnen zijn. De doelstellingen worden door de samenleving geformuleerd en zijn direct afgeleid van het via de ruimtelijke ordening vastgelegde beleid voor de open ruimte.

Ook de middelen die deze ontwikkelingsmaatschappijen ter beschikking staan zijn rechtstreeks gebaseerd op het geformuleerde beleid. Maar verder kennen die maatschappijen de speelruimte en hebben zij de expertise die eigen is aan elk zelfstandig (overheids)bedrijf.

Pieter van Geel is Gedeputeerde van Provinciale Staten van Noord-Brabant. Peter van Wijmen is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de CDA-fractie.