Om de eer

Midden tussen de marktkramen ligt – op straat – een vuil laken uitgespreid waarop gebruikt serviesgoed en oude schoenen staan uitgestald. De eigenaar is vertrokken zonder zijn onrendabele handel op te ruimen en de andere kraamhouders hadden kennelijk geen interesse.

Een donkerogige man komt aan. Hij past een paar schoenen, kijkt rond en vraagt iets in het Grieks. Niemand reageert. Om erachter te komen wie de eigenaar is, doet de Griek of hij met de schoenen wil weglopen en kijkt dan opnieuw om zich heen. Een van de kooplieden maakt een gebaar van neem maar mee en knikt dat het goed is. Daarop pakt de Griek een paar kinderschoenen op. Weer knikt de koopman. Juist als de Griek met vier paar onder zijn arm wil doorlopen, ziet hij hoe een Turk een stapel borden van het laken tilt en geïnteresseerd bekijkt. De Griek ruikt een kans. Hij gaat wijdbeens staan, wijst op de borden in de hand van de Turk en zegt in het Nederlands: ,,Acht gulden samen.''

De Turk kijkt hem aan en begint honend te lachen. ,,Jij liegen'', antwoordt hij. ,,Dit niet van jou.''

,,Acht gulden'', herhaalt de Griek onverstoorbaar. Dramatisch heft de Turk zijn handen ten hemel en – om de omstanders tot getuigenis te roepen van het onrecht dat hem wordt aangedaan – begint hij te schreeuwen. De kraamhouders lijken plots in wassen beelden veranderd. Ze kijken uiterst neutraal, maar uit hun roerloze houding blijkt dat ze niets van de strijd willen missen.

De ruziemakers naderen elkaar met dreigend vooruitgestoken schouder – twee mannetjesdieren die iets te verdedigen hebben – maar ze raken elkaar niet aan.

,,Jij terug in Athene gaan'', brult de Turk.

,,Hoepel zelf op'', pareert de Griek. ,,Wat doe je hier eigenlijk? Was in Turkije gebleven.''

De Turk maakt aanstalten er met de borden vandoor te gaan. Met een enkel gebaar verspert de Griek hem de weg. Hoewel de Turk gemakkelijk kan passeren, keert hij terug naar het strijdperk, want de strijd is nog niet gestreden. Het is een ritueel gevecht waarvan de regels streng in acht genomen worden. Zonder elkaar een haar te krenken, drijven ze elkaar beurtelings in tegengestelde richting, waarbij de onzichtbare grenzen van het strijdperk worden gerespecteerd.

De Turk doet alsof hij nog meer borden wil pakken. De Griek beschermt het serviesgoed met zijn lichaam. Hij wringt zijn handen en wijst op zijn hart als stond dat op het punt van barsten, want ook hij kan dramatisch uitpakken. Ze slaan elkaar met teksten om de oren en genieten daar zichtbaar van: `illegaal!', `zwartwerker!', `allochtoon!' Zorgvuldig waken ze ervoor dat geen van beiden wint. Ondertussen roven voorbijgangers het laken leeg, maar dat kan hen niet schelen. Het gaat niet meer om de handel, het gaat om de eer.

Als het gevecht dreigt te verslappen, blaast de Turk het nieuw leven in door met de buit te ontsnappen. Omdat de ander hem niet achterna komt, keert hij op zijn schreden terug om het spel te voltooien en zijn tegenspeler nogmaals uit te dagen.

,,Ik niet bang van jou'', roept hij en dwingt de Griek daarmee nog één keer van het laken. Er volgt een korte herhaling van de schermutseling, dan bloedt het gevecht dood. Met tegenzin komen de kraamhouders weer in beweging.

    • Monica Metz