NOS-Journaal

,,Moeten wij dat zien, een Turkse vrouw, op het moment dat ze ziet dat haar kind is gestorven?'' Deze vraag stelt Maarten Huygen zich in zijn column van 15 november. Hij verwijst naar het 8-uur Journaal van de dag ervoor waarin reddingswerkers na uren zoeken het lichaam aantreffen van het kind van een geëmotioneerde moeder. Het is een retorische vraag, want de columnist meent: nee, zo willen we het niet zien. De Turkse moeder zat met al haar verdriet ingeklemd tussen reclameblokken, ze had niet om die internationale camera's gevraagd, we hadden haar en haar privé-gevoelens met rust moeten laten.

De columnist zag het kennelijk voor zich: veel camera's (er was alleen een NOS-camera), een horde aan journalisten (ik was de enige) die na een wake bij de wanhopige moeder meteen toesloegen toen het lichaam van haar kind werd gevonden, en de columnist – als sprak hij uit ervaring – kende onze reactie; hij schrijft: ,,Kip, ik heb je, dacht de internationale pers.''

De columnist vindt dat mensen in dergelijke situaties niet gehinderd mogen worden door indringende camera's. Maar wat stelt hij zich voor van reportages uit rampgebieden waarbij de camera niet mag worden gericht op menselijk verdriet? Hoe kan de ontreddering worden overgebracht bij de Nederlandse kijker? Wat als mensen er zélf mee instemmen?

We filmden die nacht en ochtend met grote terughoudendheid. Uren zaten we met de ouders bij het vuur, we deelden water en koekjes, spraken weinig, af en toe stonden we op om te filmen, het deerde de ouders niet, ze merkten het misschien niet eens, ze keken naar de puinhopen.

Na 13 uur werd hun dochter gevonden, ze was dood, net als de andere verpleegster en de dokter. We registreerden het verdriet en namen – buiten beeld – afscheid. De vader bedankte ons, wij wensten hem sterkte.

,,Moeten wij dat zien, een Turkse vrouw, op het moment dat ze ziet dat haar kind is gestorven?'' schrijft Huygen. Misschien oordeelt hij nu anders.

    • Gijs Wanders